Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

thema 5: taalbeschouwing

Total questions: 17

Worksheet time: 34mins

Name
Class
Date
1.

Alfabetisch rangschikken. Vul aan met het juiste woord. Kies uit:

otter - lama - muis

neushoorn

(a)  

panda

slang

2.

Alfabetisch rangschikken. Vul aan met het juiste woord. Kies uit:

best - beer - boer

bakvorm

barsten

(a)  

bergen

3.

Rangschik de woorden alfabetisch. Gebruik de nummers die bij de woorden staan.

1. suiker

2. bloem

3. eieren

4. melk

5. appel

(a)  

4.

Wat zie je hier?

a)

een hond

b)

een slachtoffer

c)

een poedel

d)

de pels

5.

Wat is dit?

a)

de ingrediënten

b)

de bakvorm

c)

de bloem

d)

de pels

6.

Wat is dit? Schrijf de juiste naam.

(a)  

7.

Schrijf een werkwoord op dat rijmt op

stromen

4 lines
8.

Schrijf een werkwoord op dat rijmt op

schrijven

4 lines
9.

Schrijf het werkwoord van de zin over.

Elke springt op de trampoline.

(a)  

10.

Schrijf het werkwoord van de zin over.

Buiten sneeuwt het.

(a)  

11.

Schrijf het werkwoord van de zin over.

Wij dromen van een lange, zonnige zomer.

(a)  

12.

Schrijf het werkwoord van de zin over.

De juf is erg streng.

(a)  

13.

Welk werkwoord past bij deze prent?

(a)  

14.

Welk werkwoord past bij deze prent?

(a)  

15.

Duid de werkwoorden aan die zeggen wat iets of iemand doet.

(er zijn meerdere antwoorden mogelijk)

a)

palen

b)

geven

c)

hagelen

d)

snuffelen

16.

Duid de werkwoorden aan die zeggen wat er gebeurt.

(meerdere antwoorden zijn mogelijk)

a)

bliksemen

b)

muizen

c)

regenen

d)

geven

17.

Vul de zinnen aan met het juiste werkwoord.

Opgelet: de volgorde van de werkwoorden moet juist zijn.

1. Pieter en Evert ................................... in het zwembad.

2. Els ................................... van de trampoline.

3. Amir ...................................... heel snel.

4. Anna en Bert .................................... gisteren door het bos.

a)

1. fietst

2. liepen

3. springen

4. valt

b)

1. springen

2.valt

3. liepen

4. fietst

c)

1. springen

2. valt

3. fietst

4. liepen

d)

1. springen

2. fietst

3. valt

4. liepen