wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

LEZEN H1 t/m H4 MAVO4

Total questions: 20

Worksheet time: 4mins

Name
Class
Date
1.

Een zakelijke tekst bestaat meestal uit:

a)

inleiding, slot

b)

inleiding, middenstuk, slot

c)

middenstuk, slot

d)

inleiding, middenstuk

2.

Wat wordt wél in het middenstuk behandeld, maar niet in de inleiding?

a)

het onderwerp van de tekst

b)

de hoofdgedachte

c)

deelonderwerpen

d)

het standpunt van de schrijver

3.

Waar of niet waar? De hoofdgedachte komt alleen in de inleiding voor.

a)

Waar

b)

Niet waar

4.

Waar of niet waar? Een anekdote vind je meestal alleen in de inleiding.

a)

Niet waar

b)

Waar

5.

Welke signaalwoorden horen bij een tegenstellend verband?

a)

en, ook, bovendien

b)

want, omdat, dus

c)

maar, toch, echter

d)

om te beginnen, ten slotte, mits

6.

Welke signaalwoorden horen bij een concluderend verband?

a)

indien, als...dan, oftewel

b)

want, dus, en

c)

maar, echter, toch

d)

dus, kortom

7.

Welk verband hoort bij: want, daarom, namelijk, immers?

a)

concluderend verband

b)

tegenstellend verband

c)

redengevend verband

d)

oorzaak-gevolg-verband

8.

Waar zijn signaalwoorden goed voor?

a)

nergens

b)

tekstverbanden herkennen en de tekst beter begrijpen

c)

zo weet je precies wat er in de tekst staat

d)

ze zijn goed voor het begrijpen van het middenstuk

9.

Wat is een feit?

a)

iets wat waar is

b)

iets wat niet waar is

c)

iets wat waar of niet waar is

d)

iets wat wetenschappelijk bewezen is

10.

Waar of niet waar? Een mening en een standpunt zijn hetzelfde.

a)

Waar

b)

Niet waar

11.

Een mening:

a)

is hetzelfde als een feit

b)

is iets wat iemand vindt

c)

is iets wat waar of niet waar is

d)

is stom

12.

Waarmee onderbouw je jouw mening?

a)

standpunten

b)

andere meningen

c)

signaalwoorden

d)

argumenten

13.

Waar in de tekst laat de schrijver zien of hij wil overtuigen of alleen informeren?

a)

in de inleiding

b)

in het middenstuk

c)

in het slot

d)

in alle onderdelen

14.

Hoe noemen we verschillende manieren van lezen?

a)

stupid

b)

leesstrategieën

c)

tekstverbanden

d)

signaalwoorden en tekstverbanden

15.

Welke leesstrategie gebruik je als je alleen de deelonderwerpen wil weten?

a)

oriënterend lezen

b)

kritisch lezen

c)

globaal lezen

d)

zoekend lezen

16.

Welke leesstrategie gebruik je als je de betrouwbaarheid van een tekst wil vaststellen?

a)

oriënterend lezen

b)

precies lezen

c)

globaal lezen

d)

kritisch lezen

17.

Wat doe je als je zoekend leest?

a)

Je bekijkt tussenkopjes en opvallend gedrukte woorden en tekens

b)

Je bekijkt de tekst: titel, tussenkopjes, dikgedrukte woorden, etc.

c)

Je leest de eerste en laatste alinea

d)

Je gooit de tekst weg.

18.

Als je de hele tekst goed wil begrijpen, lees je:

a)

zoekend

b)

precies

c)

kritisch

d)

globaal

19.

Ik begrijp waar deze quiz over gaat:

a)

Jup

b)

Nope

c)

Quiz?

d)

Ja, maar eigenlijk niet

20.

Ik heb vertrouwen in het examen Nederlands:

a)

Nope

b)

Jaaaaaaaaaaaaa!

c)

Ja, maar eigenlijk niet

d)

Ik heb nog geen flauw idee