NEW
Font size
WorksheetsZuren en basen MC 6v
Total questions: 20
Worksheet time: 2hrs 40mins
Carolien wil de zuurgraad van een oplossing onderzoeken met twee verschillende zuur-base-indicatoren en neemt hierbij het volgende waar:
I de oplossing kleurt groen met broomthymolblauw.
II de oplossing kleurt oranje met fenolrood.
Wat is de beste schatting voor de grenswaarden van de pH in deze oplossing?
tussen 6,0 en 8,0
tussen 6,0 en 6,6
tussen 6,6 en 7,6
tussen 7,6 en 8,0
Wat zijn de molecuulformules van zwavelzuur en van salpeterzuur?
H2SO4 en NH3
H2SO4 en HNO3
H2S en NH3
H2S en HNO3
Welke stof geeft met water een zure oplossing?
CH4
NH3
H2
SO2
Leo heeft 0,10 liter van een oplossing van een sterk zuur met pH = 1,0
Hoe groot is [H3O+] , uitgedrukt in mol.L–1, in deze oplossing?
0,010
0,10
1,0
10
Hoe kun je het oplossen van K2O(s) in water het beste aangeven?
K2O(s) ─> K2O(aq)
K2O(s) ─> 2K+(aq) + O2–(aq)
K2O(s) + H2O(l) ─> 2KOH(aq)
K2O(s) + H2O(l) ─> 2K+(aq) + 2OH–(aq)
Gegeven: Me is het symbool voor een niet nader bepaald tweewaardig metaalion.
Me(OH)2(s) is een matig oplosbaar metaalhydroxide. In een verzadigde oplossing van Me(OH)2 in water wordt bij kamertemperatuur een pH-waarde van 10,4 gemeten.
Met behulp van de evenwichtsvoorwaarde voor het oplosbaarheidsevenwicht kun je dan de oplosbaarheidsconstante (= oplosbaarheidsproduct) Ks voor dit metaalhydroxide berekenen.
Welke uitkomst geeft de juiste waarde aan voor deze oplosbaarheidsconstante Ks?
Ks = 7,9 . 10 –12
Ks = 4,0 . 10 –11
Ks = 3,2 . 10 –11
Ks = 1,2 . 10 – 4
Welke van onderstaande stoffen geeft, na oplossen in water, een oplossing die merkbaar basisch is, bijvoorbeeld duidelijk aantoonbaar met een zuur-base-indicator?
C2H5OH
C2H5NH2
NO2
NaNO3
Beoordeel de volgende beweringen:
I elk zuur dat goed oplost in water is een sterk zuur
II elk zuur dat in water gedeeltelijk in ionen splitst is een zwak zuur
Welke van deze twee beweringen is juist?
beide beweringen zijn juist.
alleen bewering I is juist.
alleen bewering II is juist.
geen van beide beweringen is juist.
0,10 molair azijnzuur heeft een pH-waarde van 2,70.
Uit deze gegevens kan berekend worden hoeveel procent van de azijnzuurmoleculen is gesplitst in ionen.
Welke rekenwijze laat zien hoe je dit percentage op de juiste manier kunt afleiden?
2,0 . 10–3 x 100% = 0,20%
(2,0 . 10–3 : 0,10) x 100% = 2,0%
(0,10 : 2,70) x 100% = 3,7%
0,10 x 2,70 x 100% = 27%
Gegeven: Zuiver water geeft met lakmoes een paarse kleur.
Een bepaalde stof geeft na toevoegen en oplossen in water met lakmoes een blauwe kleur.
Welke stof kan dan toegevoegd zijn aan het water met lakmoes?
ammoniumchloride
natriumnitraat
koolstofdioxide
natriumfosfaat
Welk van onderstaande deeltjes komt het meeste voor in een 1 molair oplossing van fosforzuur in water?
H3PO4(aq)
H2PO4–(aq)
HPO42–(aq)
PO43–(aq)
Beoordeel de volgende twee uitspraken:
I een oplossing van NaHSO4 in water is zuur
II een oplossing van NaHCO3 in water is basisch
Welke van deze twee beweringen is juist?
beide beweringen zijn juist.
alleen bewering I is juist.
alleen bewering II is juist.
geen van beide beweringen is juist.
Gegeven: Ω en Ψ zijn zelf gekozen symbolen in plaats van de echte elementsymbolen.
Tussen bepaalde stoffen en deeltjes, die mede aangegeven kunnen worden met deze symbolen, verloopt de volgende reactie:
H2Ω (aq) + HΨ–(aq) → HΩ–(aq) + H2Ψ(aq)
Welk deeltje is in deze reactie dan het sterkste zuur?
H2Ω (aq)
HΨ–(aq)
HΩ–(aq)
H2Ψ(aq)
Gegeven: een oplossing van de stof NaHS in water is basisch.
De oplossing wordt basisch door reactie van een bepaald ion met het oplosmiddel.
Welk deeltje van de stof NaHS maakt op deze manier de oplossing basisch?
Na+(aq)
H+(aq)
S2–(aq)
HS–(aq)
Leontien wil onderzoeken of een vaste stof natriumcarbonaat is of natriumsulfaat.
Zij lost eerst een beetje van de stof op in water en voert met de verkregen oplossing twee onderzoekjes uit:
I zij voegt de zuur-base-indicator broomthymolblauw toe
II zij voegt zoutzuur toe
Uit welk onderzoek kan Leontien afleiden wat de vaste stof is?
uit beide onderzoeken
alleen uit onderzoek I
alleen uit onderzoek II
uit geen van beide onderzoeken
Gegeven: Kalkwater kan gemaakt worden door calciumhydroxide (= gebluste kalk) of calciumoxide (= ongebluste kalk) te vermengen met water. In beide gevallen ontstaat dezelfde oplossing en de overmaat kalk die niet oplost ligt na enige tijd als een bezinksel op de bodem.
Helder kalkwater wordt gebruikt als reagens op koolstofdioxide en wordt bij aanwezigheid ervan wit troebel.
Welke reactievergelijking geeft een goede verklaring voor de werking van dit reagens?
Ca(OH)2(aq) + CO2(g) → CaCO3(s) + H2O(l)
CaO(aq) + CO2(g) → CaCO3(s)
Ca2+(aq) + 2OH–(aq) + CO2(g) → CaCO3(s) + H2O(l)
Ca2+(aq) + O2–(aq) + CO2(g) → CaCO3(s)
Gegeven: in leidingwater is vaak een beetje ‘kalk’ opgelost. Er is dan sprake van zogenaamd ‘hard’ water, waarin de vaste stof Ca(HCO3)2(s) is opgelost.
Bij het wassen van gesneden rabarber, waarin opgelost oxaalzuur aanwezig is, met ‘hard’ leidingwater ontstaat dan een witte troebeling en kan men ook wel kleine gasbelletjes waarnemen.
Met welke (kloppende) reactievergelijking kunnen deze verschijnselen het beste verklaard worden?
Ca2+(aq) + 2HCO3–(aq) + H2C2O4(aq) → Ca(s) + 2H2O(l) + 4CO2(g)
Ca2+(aq) + 2HCO3–(aq) + H2C2O4(aq) → CaC2O4(s) + 2 H2CO3(g)
Ca2+(aq) + 2HCO3–(aq) + H2C2O4(aq) → CaC2O4(s) + 2H2O(l) + 2CO2(g)
Ca2+(aq) + 2HCO3–(aq) + H2C2O4(aq) → CaCO3(s) + H2O(l) + CO2(g) + H2C2O4(aq)
Gegeven: maagzuur kan opgevat worden als verdund zoutzuur, waarin ook nog enkele andere stoffen voorkomen die nodig zijn bij de spijsvertering.
Opkomend maagzuur kan men bestrijden met tabletten waarin magnesiumcarbonaat voorkomt als werkzaam bestanddeel.
Welke van onderstaande (kloppende) vergelijkingen geeft de reactie aan die plaats vindt bij het gebruik van magnesiumcarbonaattabletten als het maagzuur in overmaat aanwezig is?
MgCO3(s) + HCl(aq) → Mg2+(aq) + Cl–(aq) + HCO3–(aq)
MgCO3(s) + 2HCl(aq) → Mg2+(aq) + 2Cl–(aq) + H2O(l) + CO2(g)
MgCO3(s) + H+(aq)+ Cl–(aq) → Mg2+(aq) + Cl–(aq) + HCO3–(aq) + H2O(l)
MgCO3(s) + 2H+(aq)+ 2Cl–(aq) → Mg2+(aq) + 2Cl–(aq) + H2O(l) + CO2(g)
Gegeven:
Ø mest van de intensieve veehouderij bevat, naast vele andere stoffen, nogal veel ammoniak.
Ø ammoniak uit mest kan verdampen en daarna, net als vele andere verontreinigingen in de lucht, oplossen in water in de regenwolken. Als regenwater komt dit op de bodem.
Ø ammoniak uit mest, evenals ammoniumionen in regenwater, wordt door micro-organismen in de bodem omgezet in andere stoffen. Na uitspoelen met regenwater komen ook deze stoffen terecht in het grondwater.
Wat is het effect van ammoniak uit mest op de mate van verzuring van regenwater en op de mate van verzuring van grondwater?
regenwater en grondwater worden allebei meer verzuurd.
regenwater wordt meer verzuurd en grondwater wordt minder verzuurd
regenwater wordt minder verzuurd en grondwater wordt meer verzuurd
regenwater en grondwater worden allebei minder verzuur
Uit zuiver water dat langdurig in contact staat met lucht ontstaat een CO2-houdende oplossing.
In deze opgave geldt dat met de notatie CO2(aq) ook het deel inbegrepen is dat aanwezig is als H2CO3(aq). In die oplossing kunnen zich door enkele volgreacties ook nog een aantal evenwichten instellen.
Welke soorten deeltjes zullen dan aanwezig zijn in die oplossing en in welke mate zal dat zijn?
Naast zeer veel vrije waterdeeltjes bevat de oplossing:
vrijwel alleen CO2(aq)
relatief veel CO2(aq) en weinig HCO3–(aq) en H+(aq)
relatief weinig CO2(aq) en veel HCO3–(aq) en H+(aq)
vrijwel alleen HCO3–(aq) en H+(aq)
