Font size
WorksheetsNederlands G2 HS 1-5
Total questions: 70
Worksheet time: 1hrs 5mins
____is je emailadres?
Wat
Welke
Welk
Wanneer
____ autos heb je?
Wat
Waarom
Hoe
Hoeveel
_____heet jij?
Wie
Hoe
Wat
Hoeveel
Morgen ___ ze jarig.
hebben
bent
heeft
is
Wanneer ___ ze jarig?
bent
heeft
is
hebt
Hij ___ alleen een vriend.
heeft
hebt
bent
hebben
____ talen spreekt u?
Wat
Welke
Welk
Wie
____ bent u jarig?
Waar
Waarom
Wanneer
Hoeveel
Jullie ____ getrouwd.
hebben
bent
zijn
heeft
Huiswerk (a) je gewoon doen.
____ kom je vandaan?
Uit
Waar
Waarom
Hoe
De jongen (a) geod voetballen.
(a) we samen naar het restaurant?
(a) jullie met ons wandelen?
Mevrouw, u (a) hier niet roken.
Hoe laat is het?
(a)
Naamwoord? Werkwoord?
(a)
Infinitief? 3. p. s? Imperatief?
(a)
Hoe laat is het?
(a)
Infinitief? 2. p. s? Imperatief?
(a)
Welke dag is het vandaag?
(a)
Het weekend = ______ + _______
(a)
Bij Mila hebben we een les op _______ en _______.
(a)
Op _______ hebben we een les bij Renske en op _______ hebben we geen les.
(a)
In (a) ontbijt ik.
Ze woont ___de Koningin Emmakade ___ nummer 15.
(a)
Wij wonen ___ Nederland, maar we komen ___ Marokko.
(a)
Kan je ___dinsdag ___ 5 uur?
(a)
Hoe laat is het?
(a)
___ vakantie gaan we ___ de bus.
(a)
(a) het weekend ga ik mijn oma bezoeken.
Elke avond ____ ik naar de tv en dan ga ik ____ bed.
(a)
Naamwoord? Werkwoord?
(a)
Infinitief? 1. p. s? Imperatief?
(a)
Ik moet ___ haar ___ het museum wachten.
(a)
De melk is (a) de datum.
Wie is er (a) de beurt?
Welke nationaliteit ___ je?
zijn
ben
heb
bent
Ze wilt (a) de prijs vragen, maar ze is te verlegen.
Ik zit (a) voetbal.
Ik doe (a) volleybal en tennis.
's Morgens als ik opsta, moet ik (a) .
Ik ben bezig (a) schilderen.
Namwoord? Werkwoord?
(a)
Ik (a) wiskunde.
Ze (a) meerdere talen.
Ze is 66 jaar uit, dus ze (a) niet meer.
(a) het gerecht op smaak met zout en peper.
Tijdens de les mag je niet (a) .
Ik ____ maat 42.
heb
hebt
bent
ben
is - wat -postcode - uw - ?
(a)
mij - je - kun - begrijpen - ?
(a)
stad - welke - uit - komt - u - ?
(a)
nachts - ga - 's - morgens - word - wakker - ik - ik - 's - slapen - .
(a)
les - begint - de - sorry, - ophangen - moet - ik - want - .
(a)
vroeg - de faculteit - woensdag - elke - moet - ze - gaan- naar - .
(a)
zaterdag - op - veel - op - vakantie - gaan - mensen - een - korte - .
(a)
beroemde - komen - schilders - Nederland - uit - veel - .
(a)
het museum - elke - behalve - zondag - open - dag - is - op - .
(a)
zomer - asperges - eten - we - zomer - in - .
(a)
heerlijk - vind - pindakaas - ik - speculaas - vies - vind - ik - maar - echt - .
(a)
maar - kilo - aardappels - doet - of - twee - een - doet - u - .
(a)
stofzuig - altijd - nadat - dweil - ik - ik - .
(a)
de aardapels - doe - de pan - in - roeren - blijf - constant - en - .
(a)
19 uur - week - aan - per - mediagebruik - Nederlanders - besteden - .
(a)
zou - de piano - maar - toondoof - hij - spellen - hij - is - willen - .
(a)
onze - de hond - ons - tuin - niet - ons - van - in - is - .
(a)
is - hij - aan - lunchen - het - .
(a)
strijken - we - en - stofzuigen - we - altijd - soms - .
(a)
moe - ben - dus - ik - slapen - ik - moet - .
(a)
