wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Nederlands G2 HS 1-5

Total questions: 70

Worksheet time: 1hrs 5mins

Name
Class
Date
1.

____is je emailadres?

a)

Wat

b)

Welke

c)

Welk

d)

Wanneer

2.

____ autos heb je?

a)

Wat

b)

Waarom

c)

Hoe

d)

Hoeveel

3.

_____heet jij?

a)

Wie

b)

Hoe

c)

Wat

d)

Hoeveel

4.

Morgen ___ ze jarig.

a)

hebben

b)

bent

c)

heeft

d)

is

5.

Wanneer ___ ze jarig?

a)

bent

b)

heeft

c)

is

d)

hebt

6.

Hij ___ alleen een vriend.

a)

heeft

b)

hebt

c)

bent

d)

hebben

7.

____ talen spreekt u?

a)

Wat

b)

Welke

c)

Welk

d)

Wie

8.

____ bent u jarig?

a)

Waar

b)

Waarom

c)

Wanneer

d)

Hoeveel

9.

Jullie ____ getrouwd.

a)

hebben

b)

bent

c)

zijn

d)

heeft

10.

Huiswerk (a)   je gewoon doen.

11.

____ kom je vandaan?

a)

Uit

b)

Waar

c)

Waarom

d)

Hoe

12.

De jongen (a)   geod voetballen.

13.

(a)   we samen naar het restaurant?

14.

(a)   jullie met ons wandelen?

15.

Mevrouw, u (a)   hier niet roken.

16.

Hoe laat is het?

(a)  

17.

Naamwoord? Werkwoord?

(a)  

18.

Infinitief? 3. p. s? Imperatief?

(a)  

19.

Hoe laat is het?

(a)  

20.

Infinitief? 2. p. s? Imperatief?

(a)  

21.

Welke dag is het vandaag?

(a)  

22.

Het weekend = ______ + _______

(a)  

23.

Bij Mila hebben we een les op _______ en _______.

(a)  

24.

Op _______ hebben we een les bij Renske en op _______ hebben we geen les.

(a)  

25.

In (a)   ontbijt ik.

26.

Ze woont ___de Koningin Emmakade ___ nummer 15.

(a)  

27.

Wij wonen ___ Nederland, maar we komen ___ Marokko.

(a)  

28.

Kan je ___dinsdag ___ 5 uur?

(a)  

29.

Hoe laat is het?

(a)  

30.

___ vakantie gaan we ___ de bus.

(a)  

31.

(a)   het weekend ga ik mijn oma bezoeken.

32.

Elke avond ____ ik naar de tv en dan ga ik ____ bed.

(a)  

33.

Naamwoord? Werkwoord?

(a)  

34.

Infinitief? 1. p. s? Imperatief?

(a)  

35.

Ik moet ___ haar ___ het museum wachten.

(a)  

36.

De melk is (a)   de datum.

37.

Wie is er (a)   de beurt?

38.

Welke nationaliteit ___ je?

a)

zijn

b)

ben

c)

heb

d)

bent

39.

Ze wilt (a)   de prijs vragen, maar ze is te verlegen.

40.

Ik zit (a)   voetbal.

41.

Ik doe (a)   volleybal en tennis.

42.

's Morgens als ik opsta, moet ik (a)   .

43.

Ik ben bezig (a)   schilderen.

44.

Namwoord? Werkwoord?

(a)  

45.

Ik (a)   wiskunde.

46.

Ze (a)   meerdere talen.

47.

Ze is 66 jaar uit, dus ze (a)   niet meer.

48.

(a)   het gerecht op smaak met zout en peper.

49.

Tijdens de les mag je niet (a)   .

50.

Ik ____ maat 42.

a)

heb

b)

hebt

c)

bent

d)

ben

51.

is - wat -postcode - uw - ?

(a)  

52.

mij - je - kun - begrijpen - ?

(a)  

53.

stad - welke - uit - komt - u - ?

(a)  

54.

nachts - ga - 's - morgens - word - wakker - ik - ik - 's - slapen - .

(a)  

55.

les - begint - de - sorry, - ophangen - moet - ik - want - .

(a)  

56.

vroeg - de faculteit - woensdag - elke - moet - ze - gaan- naar - .

(a)  

57.

zaterdag - op - veel - op - vakantie - gaan - mensen - een - korte - .

(a)  

58.

beroemde - komen - schilders - Nederland - uit - veel - .

(a)  

59.

het museum - elke - behalve - zondag - open - dag - is - op - .

(a)  

60.

zomer - asperges - eten - we - zomer - in - .

(a)  

61.

heerlijk - vind - pindakaas - ik - speculaas - vies - vind - ik - maar - echt - .

(a)  

62.

maar - kilo - aardappels - doet - of - twee - een - doet - u - .

(a)  

63.

stofzuig - altijd - nadat - dweil - ik - ik - .

(a)  

64.

de aardapels - doe - de pan - in - roeren - blijf - constant - en - .

(a)  

65.

19 uur - week - aan - per - mediagebruik - Nederlanders - besteden - .

(a)  

66.

zou - de piano - maar - toondoof - hij - spellen - hij - is - willen - .

(a)  

67.

onze - de hond - ons - tuin - niet - ons - van - in - is - .

(a)  

68.

is - hij - aan - lunchen - het - .

(a)  

69.

strijken - we - en - stofzuigen - we - altijd - soms - .

(a)  

70.

moe - ben - dus - ik - slapen - ik - moet - .

(a)