wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taalweb 1 trimester 3

Total questions: 66

Worksheet time: 54mins

Name
Class
Date
1.

Meervoud van hobby

a)

Hobbys

b)

Hobby's

c)

Hobbies

d)

Hobbie's

2.

Meervoud van museum

a)

Museums

b)

Musea

c)

Museums en musea zijn beide correct

d)

Museum heeft geen meervoud

3.

Meervoud van grens

a)

Grensen

b)

Grenzen

4.

Meervoud van accu

a)

Accuus

b)

Accus

c)

Accu's

d)

Accuu's

5.

Meervoud van giraf

a)

Giraffen

b)

Giraffes

c)

Girafs

d)

Giraf's

6.

Meervoud van cadeau

a)

Cadeaus

b)

Cadeaux

c)

Cadeau's

7.

Meervoud van tomaat

a)

Tomaaten

b)

Tomaten

8.

Meervoud van neef

a)

Neefs

b)

Neefen

c)

Neeven

d)

Neven

9.

Plaats het werkwoord in de zin: Dat (duren) zo lang.

(a)  

10.

Plaats het werkwoord in de zin: Astrid (verzenden) een brief naar Frankrijk.

(a)  

11.

Plaats het werkwoord in de zin: (Worden) je daarvoor betaald?

(a)  

12.

Plaats het werkwoord in de zin: Mijn oma (bidden) iedere zondag in de kapel.

(a)  

13.

Plaats het werkwoord in de zin: (Vinden) je zus al haar oorring?

(a)  

14.

Plaats het werkwoord in de zin: Dat (schenden) jouw privacy!

(a)  

15.

Kies het bijpassende woord uit spel- en woordweb.

(a)  

16.

Kies het bijpassende woord uit spel- en woordweb.

(a)  

17.

Kies het bijpassende woord uit spel- en woordweb.

(a)  

18.

Kies het bijpassende woord uit spel- en woordweb.

(a)  

19.

Kies het bijpassende woord uit spel- en woordweb. (geen afbeelding, maar...)

(a)  

20.

Kies het bijpassende woord uit spel- en woordweb.

(a)  

21.
Wat is het zelfstandig naamwoord in deze zin:
Ik koop een bal.
a)
Ik
b)
koop
c)
een
d)
bal
22.
Wat is het zelfstandig naamwoord in deze zin:
De leerkracht is niet oud.
a)
De
b)
leerkracht
c)
niet
d)
oud
23.
Wat is het zelfstandig naamwoord in deze zin:
Hij koopt die auto.
a)
Hij
b)
koopt
c)
die
d)
auto
24.
Wat is het zelfstandig naamwoord in deze zin:
Zij knuffelt haar hond
a)
Zij
b)
knuffelt
c)
haar
d)
hond
25.
Wat is het zelfstandig naamwoord in deze zin:
Ik wil naar Amsterdam.
a)
Ik
b)
wil
c)
naar 
d)
Amsterdam
26.
Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een...
a)
mens, dier of auto
b)
mens, dier of ding
27.

Klik de zelfstandige naamwoorden aan in onderstaande zin:


De slotklim is een uitgelezen kans voor sterke aanvallers.

a)

slotklim, kans

b)

slotklim, kans, sterke

c)

slotklim, kans, aanvallers

d)

slotklim, kans, sterke, aanvallers

28.

Klik de zelfstandige naamwoorden aan in onderstaande zin:


Veel laaggeletterde Nederlanders kunnen moeilijk functioneren in de maatschappij.

a)

Nederlanders, maatschappij

b)

laaggeletterde, maatschappij

c)

laaggeletterde, Nederlanders, maatschappij

d)

Nederlanders, functioneren, maatschappij

29.

Klik de zelfstandige naamwoorden aan in onderstaande zin:


Hij toonde een kaart met het traject van de orkaan.

a)

hij, kaart, orkaan

b)

hij, kaart, traject

c)

kaart, traject

d)

kaart, traject, orkaan

30.

Klik de zelfstandige naamwoorden aan in onderstaande zin:


In de Hortensiastraat staan veel hortensia's in de voortuinen.

a)

Hortensiastraat, hortensia's

b)

hortensia's, voortuinen

c)

Hortensiastraat, hortensia's, voortuinen

d)

Hortensiastraat, voortuinen

31.

De of het?

a)

De

b)

Het

32.

de of het

a)

De

b)

Het

33.

De of het?

a)

De

b)

Het

34.

de of het

a)

De

b)

Het

35.

de of het

a)

De

b)

Het

36.

De of het?

a)

De

b)

Het

37.

De baby of het baby

a)

De

b)

Het

38.

De of het?

a)

De

b)

Het

39.

De of het?

a)

De

b)

Het

40.

De of het?

a)

De

b)

Het

41.

De of het?

a)

De

b)

Het

42.

De of het?

a)

De

b)

Het

43.

De of het?

a)

De

b)

Het

44.

De of het?

a)

De

b)

Het

45.

Schip: het of de?

a)

De

b)

Het

46.

De of het?

a)

De

b)

Het

47.

De leerkracht zegt dat we altijd onze pennenzak en agenda moeten meebrengen naar school

a)

?

b)

.

c)

!

48.

Kom van dat dak af

a)

?

b)

.

c)

!

49.

Ga jij mee op kamp

a)

?

b)

.

c)

!

50.

In de fruitmand liggen bananen, appels en peren

a)

?

b)

.

c)

!

51.

Help

a)

?

b)

.

c)

!

52.

We gaan deze zomer een weekje naar de zee

a)

?

b)

.

c)

!

53.

Joepie

a)

?

b)

.

c)

!

54.

Heb je gehoord wat de leerkracht zei

a)

?

b)

.

c)

!

55.

Mag ik je gom gebruiken

a)

?

b)

.

c)

!

56.

In de dierentuin zijn veel dieren te zien zoals olifanten, giraffen en leeuwen

a)

?

b)

.

c)

!

57.

Kan jij al goed werken met de computer

a)

?

b)

.

c)

!

58.

Ga weg

a)

?

b)

.

c)

!

59.

Morgen gaan we naar de winkel

a)

?

b)

.

c)

!

60.

Wil jij de afwas doen

a)

?

b)

.

c)

!

61.

De kat zit op mijn bed en dat vind ik niet leuk

a)

?

b)

.

c)

!

62.

Kijk uit

a)

?

b)

.

c)

!

63.

Waar woon jij

a)

?

b)

.

c)

!

64.

Die vraag begrijp ik niet

a)

?

b)

.

c)

!

65.

Ik ga meestal met de fiets naar school

a)

?

b)

.

c)

!

66.

Pas op, de vloer is glad !

a)

?

b)

.

c)

!