Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

N2 - 4TL - H7,8,9

Total questions: 98

Worksheet time: 48mins

Name
Class
Date
1.

Het polymeer heet polypropeen. Het monomeer waar het van gemaakt wordt heet (a)  

2.

De colafles is gemaakt van het kunststof PET. Wat is de volledige naam van PET?

a)

Polyetheen

b)

Polypropeen

c)

Polystyreen

d)

Polyethyleentereftalaat

3.

Een kunststof dat hard blijft als je het verhit heet een

(a)  

4.

Een thermoplast is een kunststof die:

a)

Altijd buigbaar is

b)

Buigbaar is als het verwarmd wordt

c)

Hard blijft als het verwarmd wordt

5.

Dit is een voorbeeld van een

a)

Thermoplast

b)

Thermoharder

c)

Elasromeer

d)

Composiet

6.

geef de naam van deze stof

(a)  

7.

Een alkaan heeft 5 C-atomen hoeveel H atomen heeft dit alkaan?

(a)  

8.

Methaan

a)

C4H10

b)

CH4

c)

CH3

d)

C4H8

9.

Hoeveel waterstofatomen bevat een alkaan met 20 koolstofatomen.

a)

20

b)

22

c)

40

d)

42

10.

Welk van de volgende molecuulformules is een geldig alkaan?

a)

C4H8

b)

C5H20

c)

C3H8

d)

C6H16

11.

Wat is de algemene formule van alkenen?

a)

CnH2n+2

b)

CnH2n

c)

CnH2n+1OH

d)

Hn+2C2n

e)

H2nCn+2OH

12.

Wat is de algemene formule voor alkanen?

a)

CnH2n+1OH

b)

CnH2n+2

c)

CnH2n

d)

CnH2n+2OH

e)

CnH2n+3

13.

Welke stof draagt bij aan een versterkt broeikaseffect?

a)

Zuurstof

b)

Zwavel

c)

Koolstofdioxide

d)

Koolstofmono-oxide

14.

Smog veroorzaakt...

a)

Dichte mist

b)

Aantasting aan beelden en gebouwen

15.

Zure regen veroorzaakt...

a)

Dichte mist

b)

Aantasting aan beelden en gebouwen

16.

Een voorbeeld van duurzame energie is...

a)

Chemische energie

b)

Windenergie

17.

Welke stof geleidt stroom goed?

a)

Koper

b)

Glas

c)

Wol

d)

Stilstaande lucht

18.

Op de afbeelding hierboven zie je de Atlantische Oceaan. Bevat deze zoet of zout water?

a)

Zoet water

b)

Zout water

19.

Wat houdt "oppervlakte water" in?

a)

Water dat wordt opgepompt

b)

Vervuild water

c)

Water in zeeën, rivieren en meren

20.

Als je limonade maakt is

a)

water je spoelmiddel

b)

water je oplosmiddel

c)

het siroop je spoelmiddel

d)

het siroop je oplosmiddel

21.
Tessa heeft een kopje thee gezet.
Ze houdt van zoet en doet er twee klontjes suiker bij.
Ze vraagt zich af wat nu het oplosmiddel is.
a)
de suiker
b)
het water
c)
de theeblaadjes
d)
de smaakstoffen uit de theeblaadjes
22.

Wat is een ander woord voor hulpstoffen die worden gebruikt in voedsel?

(a)  

23.

Wat is Ph?

a)

Een maat voor hoeveelheid suiker te meten

b)

Een maat om de zuurgraad te meten

c)

Een maat om het zoutgehalte te meten

24.

Welke schaal heeft een zure Ph-waarde?

a)

Schaal 1 tot 6

b)

Schaal 7

c)

Schaal 8 tot 14

25.

Welke schaal is Ph neutraal?

a)

Schaal 1 tot 6

b)

Schaal 7

c)

Schaal 8 tot 14

26.

Welke schaal heeft een basische Ph-waarde?

a)

Schaal 1 tot 6

b)

Schaal 7

c)

Schaal 8 tot 14

27.

Geef de naam van H2SO4.

a)

waterstofsulfide

b)

waterstoffosfaat

c)

zwavelzuur

28.

Wat is de naam van H3PO4?

a)

fosfaatzuur

b)

fosforzuur

c)

triwaterstoffosfaat

29.

Wat is de formule van salpeterzuur?

a)

HCOOH

b)

HCl

c)

H2C2O4

d)

HNO3

30.

De definitie van een zure oplossing is:

a)

er zitten altijd H+ ionen in

b)

kan H+ afstaan

c)

er zit een H in de formule

d)

kan H afstaan

31.

De definitie van een base is :

a)

bevat altijd OH

b)

kan een H opnemen

c)

bevat altijd OH- ionen

d)

neemt H+ ionen op

32.

Je kunt vet NIET in water oplossen want:

a)

water is hydrofoob, vet is hydrofiel

b)

water is hydrofiel , vet is hydrofoob

c)

vet kan geen emulsie vormen

d)

water kan geen suspensie vormen

33.

Vink de goede antwoorden aan.

Een zeepmolecuul...

a)

heeft een hydrofiele staart

b)

heeft een hydrofiele kop

c)

heeft een hydrofobe staart

d)

heeft een hydrofiele staart

e)

vormt micellen in water

34.

Zeep heeft als voordeel dat het met water kalkzeep kan vormen

a)

JUIST

b)

FOUT

35.
De reactie 2 CuO(s) --> 2 Cu(s) + O2(g) is een
a)
verbrandingsreactie
b)
ontledingsreactie
36.

Uit welk gesteente wordt aluminium gewonnen?

a)

aluin

b)

bauxiet

c)

erts

d)

kwarts

37.

Wat is een legering?

a)

Dit is een mengsel van twee metalen

b)

Dit is een mengsel van een metaal met een kunststof

c)

Dit is een zuivere vorm van een kunststof

d)

Dit is een materiaal die kunststoffen harder maakt

38.

waaruit bestaat een polymeer?

a)

Meerdere atoomsoorten

b)

een keten van monomeren

c)

een keten van moleculen

d)

cirkelvormige molecuulketens

39.

Wat zijn eigenschappen van metalen?

a)

Ze reageren met stoffen uit de lucht

b)

Ze geleiden warmte en stroom goed

c)

Ze zijn grijs van kleur

d)

Ze hebben een glanzend oppervlak als ze gepolijst zijn

e)

Ze zijn bijna allemaal vast bij kamertemperatuur

40.

Metalen die met water en zuurstof kunnen reageren noemen wij:

(a)  

41.

Goud, zilver en koper zijn voorbeelden van:

a)

Legeringen

b)

Edel metalen

c)

onedele metalen

d)

Edele en onedele metalen

42.

Corrosie van ijzer noemen we ook wel:

(a)  

43.
Welke aandoening is hier afgebeeld? Het vermindert de sterkte van metaal als het aangetast wordt door zuurstof en water in de lucht op plaatsen waar het vochtig of warm is. Dit proces noemt men ook "oxidatie".
a)
Corrosie
b)
Vergiftiging
c)
Metaalmoeheid
d)
Ionisatie
44.
Wat is een voorbeeld van een legering?
a)
Koper
b)
Staal
c)
Tin
d)
IJzer
45.
Wat is galvaniseren?
a)
Laagje metaal aanbrengen op ijzer om roesten te voorkomen
b)
Zeer kleine structuren aanbrengen met atomen
c)
Meerdere stoffen smelten en samen weer laten stollen
d)
Vermalen materialen samenbrengen
46.

IJzer wordt geproduceerd in IJmuiden bij Tata steel, dit wordt gedaan in .......... In deze .......... wordt afwisselend laag om laag gelegd met cokes en erts



(a)  

47.
Hoeveel koolstofdioxidemoleculen ontstaan als je 1000 moleculen propaan (C3H8 ) volledig verbrandt?
a)
375
b)
1000
c)
3000
d)
11000
48.
Met welk reagens kun je koolstofdioxide aantonen?
a)
wit kopersulfaat
b)
kalkwater
c)
broomwater
d)
een gloeiende houtspaander
49.
Wat gebeurt er als je wit kopersulfaat mengt met water?
a)
Het wordt blauw.
b)
Het ontkleurt.
c)
Het ontploft.
d)
Niets.
50.
Welke reactievergelijking hoort bij de onvolledige verbranding van butaan (C4H10)?
a)
C4H10 --> 4 C + 5 H2
b)
2 C4H10 + 9 O2 --> 8 CO + 10 H2O
c)
C4H10 + 2 O2 --> 4 CO + 5 H2
d)
2 C4H10 + 13 O2 --> 8 CO2 + 10 H2O
51.
Bij de verbranding van waterstof reageert 1,0 gram waterstof met 8,0 gram zuurstof. Hoeveel gram waterstof kun je maken uit 1,00 kg water?
a)
111 gram
b)
125 gram
c)
800 gram
d)
het goede antwoord staat er niet bij
52.
Welke vergelijking hoort bij de vorming van ammoniak (NH3) uit elementen?
a)
N + 3 H --> NH3
b)
N2 + 6 H --> 2 NH3
c)
N2 + 3 H2 --> 2 NH3
d)
2 NH3 --> 3 H2 + N2
53.
Welke reactievergelijking hoort bij het ontleden van distikstoftetrabromide?
a)
N4Br8 --> 2 N2 + 4 Br2
b)
N2Br4 --> N2 + 2 Br2
c)
N2Br4 --> N2 + Br4
d)
Het goede antwoord staat er niet bij.
54.
Welke vergelijking hoort bij de volledige verbranding van koolstofdisulfide?
a)
CS2 + 2 O2 --> CO2 + 2 SO
b)
CS2 + O2 --> CO2 + 2 S
c)
C2S + 3 O2 --> 2 CO2 + SO2
d)
CS2 + 3 O2 --> CO2 + 2 SO2
55.

Bereken de onbekende massa's

a)

1,5 gr zuurstof en 6,0 gr magnesiumoxide

b)

13 gr zuurstof en 25 gr magnesiumoxide

c)

13 gr zuurstof en 33 gr magnesiumoxide

56.

Bereken de onbekende massa's

a)

1,0 gr zuurstof en 2,5 gr magnesiumoxide

b)

2,0 gr zuurstof en 5,0 gr magnesiumoxide

c)

2,0 gr zuurstof en 2,5 gr magnesiumoxide

57.

Bereken het massa % natrium in natriumchloride

die ontstaat in de vormingsreactie van natrium + chloor.

a)

(1,0 / 2,5) x 100 % = 40 %

b)

(1,5 / 1,5) x 100 % = 100 %

c)

(1,0 / 1,5) x 100 % = 66 %

d)

(1,5 / 2,5) x 100 % = 60 %

e)

(1,5 / 2,5) x 100 % = 60 %

58.

Bereken het massa % ijzer in ijzersulfide

die ontstaat in de vormingsreactie van ijzer + zwavel.

a)

(1,0 / 2,7) x 100 % = 37 %

b)

(1,7 / 2,7) x 100 % = 62 %

c)

(1,0 / 1,7) x 100 % = 58 %

59.

Bereken hoeveel gram ijzer er ontstaat bij de ontleding van 5,4 gram ijzersulfide.

a)

1,7 g

b)

3,4 g

c)

2,0 g

d)

5,4 g

60.

Dit is een

a)

Gevarensymbool

b)

tekening

c)

chemicaliën

d)

chemiekaart

61.

Dit staat voor

a)

Explosief

b)

Corrosief

c)

Licht ontvlambaar

d)

Giftig

62.

bij deze stoffen

a)

Is links is zuiver en rechts niet

b)

zijn beide zuiver

c)

Is rechts zuiver en links niet

d)

Zijn beide niet zuiver

63.

Deze stof is duidelijk zuiver omdat

a)

Hij een smeltpunt heeft

b)

Hij meerdere fasen heeft

c)

Hij begint als vaste stof

d)

Een rechte lijn heeft op het smeltpunt

64.

De stof die water en vet bij elkaar houdt in mayonaise heet een

a)

Emulsie

b)

Emulgator

c)

Suspensie

d)

Aceton

65.

Bij de bovenstaande foto

a)

Is rechts helder en links troebel

b)

Is rechts troebel en links helder

c)

Zijn beide helder

d)

Zijn beide troebel

66.

Bij de bovenstaande foto is de linker

a)

Een heldere oplossing

b)

Een troebele suspensie

c)

Een heldere suspensie

d)

Een troebele oplossing

67.

Bij een stolpunt gaat een stof

a)

van gas naar vast

b)

van vloeibaar naar vast

c)

van vloeibaar naar gas

d)

van vast naar gas

68.

Dit betekent dat de stof

a)

Corrosief is

b)

Smelt

c)

Schadelijk is

d)

Irriterend is

69.

Wat is de pH van een zure stof?

a)

7

b)

lager dan 7

c)

hoger dan 7

70.

Welke kant van een zeep molecuul gaat in het vet zitten?

a)

De hydrofobe kop

b)

De hydrofiele kop

c)

De hydrofobe staart

d)

De hydrofiele staart

71.

Zeep werkt als een

a)

Emulgator

b)

Zuur

c)

Emulsie

d)

Base

72.

mayo bestaat uit water en vet en is dus een

a)

Emulsie

b)

Emulgator

c)

Suspensie

d)

Aceton

73.

Dit is

a)

een stoltraject van een zuivere stof

b)

een smelttraject van een zuivere stof

c)

een stoltraject van een onzuivere stof

d)

een smelttraject van een onzuivere stof

74.
Een oplossing
a)
Is altijd gekleurd
b)
Is soms troebel
c)
Is altijd helder
75.
Wat is de formule van de stof waterstof?
a)
H2(g)
b)
H(g)
c)
Hg
d)
O2(g)
76.
Verdampen is een chemische reactie.
a)
waar
b)
niet waar
77.

Wat is het elementsymbool van ijzer

a)

Fe2

b)

IJ

c)

Fe

78.
O2(g) is een niet-ontleedbare stof
a)
waar
b)
niet waar
79.
De formule van de stof ammoniak is
a)
NH3(g)
b)
NH4(g)
c)
SO2(g)
d)
SO3(g)
80.
De reactie 2 CuO(s) --> 2 Cu(s) + O2(g) is een
a)
verbrandingsreactie
b)
ontledingsreactie
81.

Een mengsel van twee vloeistoffen kun je scheiden met

a)

filtreren

b)

extraheren

c)

destilleren

d)

indampen

82.

Welke scheidingsmethode is gebaseerd op verschil in oplosbaarheid?

a)

chromatograferen

b)

destilleren

c)

absorberen

d)

extraheren

83.
Thermolyse is een
a)
scheidingsmethode
b)
chemische reactie
84.
Welke stof ontbreekt in de volgende reactievergelijking:C3H8 (g) + ?  --> 3CO2(g) + 4H2O (l)
a)
H (g)
b)
O(g)
c)
O2(g)
d)
H2(g)
85.

Wat zijn in onderstaande reactievergelijking de getallen die horen bij a, b en c?

a.. Al2O3(s) --> b..Al(s) + c..O2(g)

a)

a = 1, b = 2, c = 3

b)

a = 2, b = 2, c = 6

c)

a = 2, b = 4, c = 3

d)

a = 2, b = 4, c = 6

86.
Welke reactievergelijking is kloppend? 
a)
Cu + O2 → 2 CuO 
b)
Cu2 + O2 → 2 CuO
c)
2 Cu + O2 → 2 CuO 
d)
Cu + O → CuO
87.
In een buis wordt roest (FeO) samen met koolstof sterk verhit. Bij deze reactie ontstaat ijzer en koolstofdioxide.
a)
2 FeO + C → 2 Fe + CO2
b)
2 FeO + 2 C + O2 → 2 Fe + 2 CO2
c)
4 Fe + 2 CO2 → 4 FeO + 2 C
d)
FeO + C → Fe + CO
88.
 Wat is GEEN ontledingsreactie?
a)
Fotolyse 
b)
Verbrandolyse
c)
Elektrolyse
d)
Thermolyse
89.
Wat is de formule van diwaterstofsulfide?
a)
HS2
b)
H2S
c)
H2OS
d)
H2C
90.
In welke onderstaande formule is de index gelijk an 2 en de coëfficiënt gelijk aan 3? 
a)
Fe2O3
b)
2 H2O
c)
3 SO2
d)
2 C3H6
91.
P2O3 (s) → P (s) + O2 (g)
a)
2 P2O3 (s) → 4 P (s) + 2 O2 (g)
b)
2 P2O3 (s) → 2 P (s) + 2 O2 (g)
c)
P2O3 (s) → P (s) + O2 (g)
d)
2 P2O3 (s) → 4 P (s) + 3 O2 (g)
92.
Zwaveldioxide
a)
SO2
b)
SO3
c)
SO
d)
NO2
93.
Welke reactievergelijking is juist?
a)
MgO (s) → Mg (s) + O (g)
b)
Ca (s) + Cl (g) → CaCl (s)
c)
H2 (g) + O2 (g) →  2 H2O (l)
d)
2 Al (s) + 3 Cl2 (g) → 2 AlCl3 (s)
94.
Wat ontstaat er bij de elektrolyse van water?
a)
water en zuurstof
b)
koolstof en zuurstof
c)
waterstof en zuurstof
d)
stikstof en waterstof
95.
Welke vorm van energie heb je nodig bij een thermolyse?
a)
Licht
b)
Warmte
c)
Elektriciteit
d)
Zonlicht
96.
Wat is een voorbeeld van een ontleedbare stof?
a)
Waterstof
b)
Zuurstof
c)
Water
d)
Stikstof
97.

Zuivere stoffen bestaan uit 1 soort moleculen.

a)

Waar.

b)

Niet waar.

98.

Zuivere stoffen kun je scheiden door scheidingsmethoden te gebruiken.

a)

Waar.

b)

Niet waar.