Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

lj4 - SE-2 - 2023/2024

Total questions: 50

Worksheet time: 35mins

Name
Class
Date
1.

Enkele stoffen in het lichaam van de mens zijn:

– koolstofdioxide;

– mineralen;

– vitaminen.

1 Welke van deze stoffen worden door het bloed vervoerd?

a)

Alleen koolstofdioxide

b)

Alleen koolstofdioxide en vitaminen.

c)

alleen mineralen en vitaminen.

d)

Koolstofdioxide, mineralen en vitaminen.

e)

Alleen vitaminen.

2.

Blauwe plek

Als je je ergens hard aan stoot, kan op de getroffen plaats een blauwe plek ontstaan. In dat geval zijn bloedvaatjes beschadigd en komt er bloed tussen de weefselcellen. Dit bloed gaat stollen, waardoor het bloeden stopt. Er ontstaat dan een blauwe plek.

Bij beschadiging van een bloedvat komen stoffen vrij die een rol spelen bij de bloedstolling.

6 Uit welke bloeddeeltjes komen deze stoffen vrij?

a)

Bloedplaatjes

b)

Rode bloedcellen

c)

Witte bloedcellen

3.

Bij beschadiging van een bloedvat komen stoffen vrij die een rol spelen bij de bloedstolling.

Wat gebeurt er als die stoffen vrijkomen?

a)

Fibrine wordt omgezet in hemoglobine. Er ontstaat etter.

b)

Fibrinogeen wordt omgezet in fibrine. Er ontstaat een netwerk van draden.

c)

Hemoglobine wordt omgezet in fibrinogeen. Er ontstaat etter.

d)

Hemoglobine wordt omgezet in fibrine. Er ontstaat een netwerk van draden.

4.

Welke van deze kenmerken horen bij de kleine bloedsomloop?

a)

− Koolstofdioxide wordt afgegeven aan de lucht.

b)

− Koolstofdioxide en andere afvalstoffen worden opgenomen in het bloed.

c)

− Zuurstof en voedingsstoffen worden afgegeven aan de cellen.

d)

− Zuurstof wordt opgenomen in het bloed.

5.

Welke bloedvaten horen bij de grote bloedsomloop?

a)

aorta;

b)

− bovenste holle ader;

c)

− longader;

d)

− longslagader.

6.

Voor het maken van een röntgenfoto wordt soms een contrastvloeistof in het bloed gespoten. Door de vloeistof worden de bloedvaten beter zichtbaar.

Op de röntgenfoto van afbeelding 1 zijn bloedvaten van het hart te zien. De pijl wijst naar een vernauwing in één van de bloedvaten. Dit bloed van de aorta en vervoert zuurstofrijk bloed naar de hartspier.

Hoe heet dit bloedvat?

a)

Holle ader.

b)

Kransader.

c)

Kransslagader

d)

Longader.

7.
Hoe heet onderdeel 1
a)
Linkerboezem
b)
Llinkerkamer
c)
Rechterboezem
d)
Rechterkamer
8.

Welk nummer is een bloedplaatje?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

nummer 3

9.

Welke afvalstof haalt dit orgaan uit je bloed?

a)

zuurstof

b)

koolstofdioxide

c)

alcohol

d)

zouten

10.

Wat bepaalt een bloedgroep?

a)

De antigenen op de witte bloedcellen

b)

De antigenen op de rode bloedcellen

c)

De antistoffen die je aanmaakt

d)

De antistoffen op de rode bloedcellen

11.

Welke bloedgroepen kan je toedienen bij iemand met bloedgroep A+ (meerdere juiste antwoorden!)

a)

B+

b)

AB+

c)

A-

d)

A+

e)

O+

12.

Welke bloedgroep is de algemene donor?

a)

A

b)

B

c)

AB

d)

O

13.
Op deze rode bloedcel zitten twee verschillende antigenen. Welke bloedgroep is dit?
a)
A
b)
B
c)
AB
d)
O
14.

Wat krijg je ingeënt bij een vaccinatie?

a)

Dode ziekteverwekkers

b)

Zwakke ziekteverwekkers

c)

Levende ziekteverwekkers

d)

1 ziekteverwekker

15.

Dit zijn stoffen, gemaakt door witte bloedcellen, die vast kunnen hechten aan de antigenen en zo de ziekteverwekker onschadelijk kunnen maken. Deze stoffen heten:

(a)  

16.

Natuurlijk immuniteit is...

a)

wanneer je natuurlijke antistoffen ingespoten krijgt

b)

wanneer je kunstmatige antistoffen ingespoten krijgt

c)

wanneer je zelf natuurlijke antistoffen maakt

d)

wanneer je zelf kunstmatige antistoffen maakt

17.

Iemand heeft bloedgroep O-. Van wie kan deze persoon bloed ontvangen?

a)

Alleen O-

b)

Zowel O- als O+

c)

A-, B-, AB- en O-

d)

Zowel van AB- en O-

18.
Welk van de onderstaande sappen bevatten enzymen
a)
Alvleessap en speeksel
b)
Alvleessap en maagzuur
c)
Gal en maagzuur
d)
Gal en speeksel
19.
Dit doodt bacteriën. 
a)
Alvleessap
b)
Gal
c)
Maagzuur
d)
Darmsap
20.
Hoe heet orgaan 1?
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Endeldarm
d)
Twaalfvingerige darm
21.
Dit sap verteert vetten, eiwitten en zetmeel.
a)
Alvleessap
b)
Gal
c)
Maagsap
d)
Speeksel
22.
Deze darm bevat darmvlokken.
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Twaalfvingerige darm
23.

Tik de 2 voedingsstoffen aan die wel verteerd moeten worden en dus niet meteen opgenomen kunnen worden in het bloed

a)

Vetten

b)

Eiwitten

c)

Glucose

d)

Mineralen

24.

Hoe heet het orgaan dat verantwoordelijk is voor: verzamelen en tijdelijk opslaan van onverteerbare voedselresten (ontlasting)

(a)  

25.

Hardlopen kost veel energie. Tijdens een wedstrijd eten sommige hardlopers bananen. Hierbij passeren voedingsvezels van de banaan een aantal organen van het verteringsstelsel.

Wat is de juiste volgorde van deze organen?

a)

Dunne darm → dikke darm → endeldarm.

b)

Dunne darm → endeldarm → dikke darm.

c)

Endeldarm → dunne darm → dikke darm.

26.
De weg van een voedingsvezel van inname naar afgifte =
a)
mond, slokdarm, maag, dunne darm, bloed
b)
mond, slokdarm, maag, dunne darm, 12-vingerige darm, dikke darm, endeldarm, anus
c)
mond, slokdarm, maag, 12-vingerige darm, dunne darm, bloed
d)
mond, slokdarm, maag, 12vingerige darm, dunne darm, dikke darm, endeldarm, anus
27.

Welke voedingsstoffen kunnen NIET direct door de darmwand heen naar het bloed?

a)

Eiwitten, water, en koolhydraten

b)

Eitwitten, vetten en koolhydraten

c)

Vetten, suikers, koolhydraten

d)

Eiwitten, vetten, koolhydraten zetmeel en suiker

28.

Waaruit bestaat maagsap?

a)

Water, zoutzuur en een enzym

b)

Zoutzuur en een enzym

c)

Water en een enzym

29.
Nummer 2 is
a)
de luchtpijp
b)
een bronchie
c)
een longblaasje
d)
de huig
30.
Nummer 7 is
a)
de luchtpijp
b)
een bronchie
c)
een longblaasje
d)
de huig
31.
Het gas dat bedoelt wordt met pijl A heet
a)
zuurstof
b)
koolstofdioxide
c)
stikstof
d)
edelgassen
32.
Wat de de juiste stand voor ademhalen?
a)
huig in stand 1, strotklepje in stand 1
b)
huig in stand 1, strotklepje in stand 2
c)
huig in stand 2, strotklepje in stand 1
d)
huig in stand 2, strotklepje in stand 2
33.
Welke weg ,legt de ingeademde lucht af in het ademhalingsstelsel?Wat is het juiste antwoord?
a)
Neusholte-strottenhoofd-keelholte-luchtpijp-bronchie
b)
neusholte-bronchie-strottenhoofd-keelholte-luchtpijp
c)
neusholte-keelholte-strottenhoofd-luchtpijp-bronchie
d)
keelholte-neusholte-strottenhoofd-luchtpijp-bronchie
34.
In de lucht die we uitademen zit
a)
meer zuurstof
b)
meer koolstofdioxide
c)
minder koolstofdioxide
d)
minder stikstof
35.

Welke pijl geeft de richting van CO2 aan?

a)

Q

b)

P

c)

2

36.

Welk gas wordt er opgenomen in de longblaasjes?

a)

Stikstof

b)

Zuurstof

c)

Koolstofdioxide

37.
Welke 2 stoffen komen altijd vrij bij de verbranding van een kaars?
a)
zuurstof en water 
b)
kaarsvet en koolstofdioxide
c)
water en koolstofdioxide
d)
water en zuurstof 
water en kaarsvet
38.
Wat is een indicator?
a)
Een stof waar iets inzit
b)
Een orgaan
c)
Een stof waarmee ik een andere stof aantoon
d)
Een stof waarmee ik een andere stof weg krijg
39.

Wat kan ik aantonen met helder kalkwater?

a)

zuurstof

b)

stikstof

c)

koolstodioxide

d)

helium

40.

In de afbeelding zie je een longblaasje. Welk gas wordt aangegeven met pijl 5?

a)

Zuurstof

b)

Stikstof

c)

Koolstofdioxide

41.

Welke pijl geeft ingeademde lucht aan?

a)

Pijl 1

b)

Pijl 2

c)

Pijl 3

d)

Pijl 4

42.

Een atleet uit Nederland traint enkele maanden in het hooggebergte. Hierna blijkt hij in Nederland tot een grotere prestatie te komen.


Welke verandering in het bloed zal mede tot deze grotere prestatie geleid hebben?

a)

een groter aantal witte bloedcellen

b)

een groter aantal rode bloedcellen

c)

een groter aantal bloedplaatjes

d)

een grotere hoeveelheid bloedplasma

43.

Het bloed stroomt van een kuitspier via de longen weer terug naar dezelfde kuitspier. Het bloed gaat daarbij minstens tweemaal door het hart. De weg die het bloed hierbij door het hart aflegt is achtereenvolgens:

a)

linkerkamer - linkerboezem - rechterkamer - rechterboezem

b)

linkerboezem - linkerkamer - rechterboezem - rechterkamer

c)

rechterkamer - rechterboezem - linkerkamer - linkerboezem

d)

rechterboezem - rechterkamer - linkerboezem - linkerkamer

44.

De onderdelen van de nier van buiten naar binnen zijn:

a)

Nierschors - niermerg - nierbekken

b)

Nierschors - nierbekken - niermerg

c)

Niermerg - nierbekken - nierschors

d)

Niermerg - nierschors - nierbekken

45.

Wat hoort bij de beschrijving:

VAN inwendig milieu NAAR uitwendig milieu

a)

Uitscheiding

b)

Voedsel opnemen

c)

Reserves aanvullen

d)

Inademen

46.

Wat is de functie van koorts?

a)

Bacteriën er uit zweten

b)

Ziekteverwekkers kunnen dan niet goed groeien

c)

Dat krijg je als het koud is

d)

Virussen er uit zweten

47.

Via waar wordt urine uit ons lichaam vervoert?

a)

Urinebuis

b)

Urineleider

c)

Nierbekken

d)

Nierschors

48.

Een weefsel is een

a)

Groep cellen dat bij elkaar ligt

b)

Groep cellen met dezelfde vorm

c)

Groep cellen met dezelfde functie

d)

Groep cellen met dezelfde vorm en functie

49.

Welke bloedgroepen kan je toedienen bij iemand met bloedgroep A+ (meerdere juiste antwoorden!)

a)

B+

b)

AB+

c)

A-

d)

A+

e)

O+

50.

Waar slaan we in ons lichaam vet op?

a)

Onderhuids bindweefsel

b)

Lever

c)

Gele beenmerg

d)

Alle antwoorden zijn goed