wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhalingsquiz 2de trimester (2A+)

Total questions: 65

Worksheet time: 56mins

Name
Class
Date
1.

Reken de macht uit.

(4)3=\left(-4\right)^{-3}=  

(a)  

2.

Reken de macht uit.

(15)2=\left(\frac{1}{5}\right)^{-2}=  

(a)  

3.

Reken de macht uit.

(0,3)3=-\left(-0,3\right)^{-3}=  

(a)  

4.

Bereken de vierkantswortel.

649=\sqrt[]{\frac{-64}{-9}}=  

(a)  

5.

Reken uit met behulp van de volgorde van bewerkingen.

52+102825110=5^2+10^2-8\cdot25\cdot\frac{-1}{10}=  

(a)  

6.

Reken de macht uit.

(32)4=\left(\frac{3}{2}\right)^{-4}=  

(a)  

7.

Bereken de vierkantswortel.

81=\sqrt[]{-81}=  

(a)  

8.

Reken de macht uit.

(35)2=\left(\frac{-3}{5}\right)^2=  

(a)  

9.

Bereken de vierkantswortel.

36=\sqrt[]{36}=  

(a)  

10.

Reken uit met behulp van de volgorde van bewerkingen.

(94)2:2332(1136)=\left(\frac{9}{4}\right)^{-2}:\frac{2}{3}\cdot\frac{3}{2}-\left(\frac{-11}{36}\right)=  

(a)  

11.

Bereken de vierkantswortel.

  100121=-\ \ \sqrt[]{\frac{-100}{-121}}=  

(a)  

12.

Vul de rekenregel verder aan: ((4)2)5=(4)10\left(\left(-4\right)^2\right)^5=\left(-4\right)^{10}  

 aQ0,  k, p  Z: \forall\ a\in Q_0,\ \forall\ k,\ p\ \in\ Z:\  

a)

ak: a p =akp a^k:\ a\ ^p\ =a^{k-p\ }  

b)

ak a p =ak+p a^k\cdot\ a\ ^p\ =a^{k+p\ }  

c)

ak: a p =ak+p a^k:\ a\ ^p\ =a^{k+p\ }  

d)

(ak) p =akp \left(a^k\right)\ ^p\ =a^{k\cdot p\ }  

13.

Reken uit met de rekenregels van machten.

87: 89=8^{-7}:\ 8^{-9}=  

(a)  

14.

Reken uit met de rekenregels van machten.

(3)2: (3)=\left(-3\right)^2:\ \left(-3\right)^{ }=  

(a)  

15.

Reken uit met de rekenregels van machten.

(102)3=\left(10^2\right)^3=  

(a)  

16.

Vul de rekenregel verder aan: 3233=353^2\cdot3^3=3^5  

 aQ0,  k, p  Z: \forall\ a\in Q_0,\ \forall\ k,\ p\ \in\ Z:\  

a)

ak: a p =akp a^k:\ a\ ^p\ =a^{k-p\ }  

b)

ak a p =ak+p a^k\cdot\ a\ ^p\ =a^{k+p\ }  

c)

ak: a p =ak+p a^k:\ a\ ^p\ =a^{k+p\ }  

d)

(ak) p =akp \left(a^k\right)\ ^p\ =a^{k\cdot p\ }  

17.

Reken uit met de rekenregels van machten.

56: 54=5^6:\ 5^4=  

(a)  

18.

Reken uit met de rekenregels van machten.

((23)1)3=\left(\left(\frac{2}{3}\right)^{-1}\right)^3=  

(a)  

19.

Vul de rekenregel verder aan: 73 : 72 = 757^3\ :\ 7^{-2}\ =\ 7^5  

 Machten met hetzelfde grondtal delen:

a)

 1) Behoud het grondtal.

2) Trek de exponenten van elkaar af.

b)

  1) Behoud het grondtal.

2) Tel de exponenten op.

c)

  1) Behoud het grondtal.

2) Deel de exponenten door elkaar.

d)

 1) Behoud het grondtal.

2) Vermenigvuldig de exponenten met elkaar.

20.

Reken uit met de rekenregels van machten.

(57)4(57)2=\left(\frac{5}{7}\right)^{-4}\cdot\left(\frac{5}{7}\right)^2=  

(a)  

21.

Reken uit met de rekenregels van machten.

2223=-2^2\cdot2^3=  

(a)  

22.

Vul de rekenregel verder aan: 3233=353^2\cdot3^3=3^5  

 Machten met hetzelfde grondtal vermenigvuldigen:

a)

 1) Behoud het grondtal.

2) Trek de exponenten van elkaar af.

b)

  1) Behoud het grondtal.

2) Tel de exponenten op.

c)

  1) Behoud het grondtal.

2) Deel de exponenten door elkaar.

d)

 1) Behoud het grondtal.

2) Vermenigvuldig de exponenten met elkaar.

23.

Reken uit met de rekenregels van machten.

(10)2: (10)3=\left(-10\right)^{-2}:\ \left(-10\right)^3=  

(a)  

24.

Vul de rekenregel verder aan: 73: 75=787^3:\ 7^{-5}=7^8  

 aQ0,  k, p  Z: \forall\ a\in Q_0,\ \forall\ k,\ p\ \in\ Z:\  

a)

ak: a p =akp a^k:\ a\ ^p\ =a^{k-p\ }  

b)

ak a p =ak+p a^k\cdot\ a\ ^p\ =a^{k+p\ }  

c)

ak: a p =ak+p a^k:\ a\ ^p\ =a^{k+p\ }  

d)

(ak) p =akp \left(a^k\right)\ ^p\ =a^{k\cdot p\ }  

25.

Reken uit met de rekenregels van machten.

(32)2=\left(3^2\right)^2=  

(a)  

26.

Vul de rekenregel verder aan: (x8)3=x24\left(x^8\right)^3=x^{24}   

 Een macht tot een macht verheffen:

a)

 1) Behoud het grondtal.

2) Trek de exponenten van elkaar af.

b)

  1) Behoud het grondtal.

2) Tel de exponenten op.

c)

  1) Behoud het grondtal.

2) Deel de exponenten door elkaar.

d)

 1) Behoud het grondtal.

2) Vermenigvuldig de exponenten met elkaar.

27.

Bereken het complement van Â.

 = 53°

(a)  

28.

Bereken het complement van Â.

 = 4°

(a)  

29.

Bereken het complement van Â.

 = 23°

(a)  

30.

Bereken het supplement van Â.

 = 129°

(a)  

31.

Bereken het supplement van Â.

 = 72°

(a)  

32.

Bereken het supplement van Â.

 = 1°

(a)  

33.

Duid de meest passende benaming van de aangeduide hoeken aan.

a)

Aanliggende hoeken

b)

Nevenhoeken

c)

Overstaande hoeken

d)

Geen van allemaal

34.

Duid de meest passende benaming van de aangeduide hoeken aan.

a)

Aanliggende hoeken

b)

Nevenhoeken

c)

Overstaande hoeken

d)

Geen van allemaal

35.

Duid de meest passende benaming van de aangeduide hoeken aan.

a)

Aanliggende hoeken

b)

Nevenhoeken

c)

Overstaande hoeken

d)

Geen van allemaal

36.

Duid de meest passende benaming van de aangeduide hoeken aan.

a)

Aanliggende hoeken

b)

Nevenhoeken

c)

Overstaande hoeken

d)

Geen van allemaal

37.

Duid de meest passende benaming van de aangeduide hoeken aan.

a)

Aanliggende hoeken

b)

Nevenhoeken

c)

Overstaande hoeken

d)

Geen van allemaal

38.

Duid de meest passende benaming van de aangeduide hoeken aan.

a)

Aanliggende hoeken

b)

Nevenhoeken

c)

Overstaande hoeken

d)

Geen van allemaal

39.

Duid de meest passende benaming van de aangeduide hoeken aan.

a)

Aanliggende hoeken

b)

Nevenhoeken

c)

Overstaande hoeken

d)

Geen van allemaal

40.

Als Â1 = 35°, dan is Â2 = 135°

a)

Juist

b)

Fout

41.

Als Â1 = 30°, dan is Â3 = 30°

a)

Juist

b)

Fout

42.

Welke soort hoeken zijn Â1 en Û1?

a)

Verwisselende binnenhoeken

b)

Verwisselende buitenhoeken

c)

Overeenkomstige hoeken

d)

Binnenhoeken aan dezelfde kant van de snijlijn

e)

Buitenhoeken aan dezelfde kant van de snijlijn

43.

Welke soort hoeken zijn Â2 en Û4?

a)

Verwisselende binnenhoeken

b)

Verwisselende buitenhoeken

c)

Overeenkomstige hoeken

d)

Binnenhoeken aan dezelfde kant van de snijlijn

e)

Buitenhoeken aan dezelfde kant van de snijlijn

44.

Â4 = 80°. Bereken Û2.

(a)  

45.

Â3 = 110°. Bereken Â2.

(a)  

46.

Â4 = 70°. Bereken Û4.

(a)  

47.

Â3 = 110°. Bereken Â1.

(a)  

48.

Bereken hoek B1 in de gegeven driehoek.

(a)  

49.

Bereken hoek D1 in de gegeven driehoek.

(a)  

50.

Bereken hoek D2 in de gegeven driehoek.

(a)  

51.

Bereken hoek C1 in de gegeven driehoek.

(a)  

52.

Welk verband wordt er in deze tabel voorgesteld?

a)

Recht evenredig

b)

Omgekeerd evenredig

c)

Niet evenredig

53.

Welk verband wordt er in deze tabel voorgesteld?

a)

Recht evenredig

b)

Omgekeerd evenredig

c)

Niet evenredig

54.

Welk verband wordt er in deze tabel voorgesteld?

a)

Recht evenredig

b)

Omgekeerd evenredig

c)

Niet evenredig

55.

Welk verband wordt er in deze tabel voorgesteld?

a)

Recht evenredig

b)

Omgekeerd evenredig

c)

Niet evenredig

56.

Waarom zijn dit omgekeerd evenredige grootheden?

a)

210=45=54=102\frac{2}{10}=\frac{4}{5}=\frac{5}{4}=\frac{10}{2}  

b)

Omdat de ene rij stijgt en de andere daalt.

c)

210=45=54=1022\cdot10=4\cdot5=5\cdot4=10\cdot2  

d)

Omdat de twee rijen stijgen.

57.

Waarom zijn dit recht evenredige grootheden?

a)

224=336=672=896\frac{2}{24}=\frac{3}{36}=\frac{6}{72}=\frac{8}{96}  

b)

Omdat de ene rij stijgt en de andere daalt.

c)

224=336=672=8962\cdot24=3\cdot36=6\cdot72=8\cdot96  

d)

Omdat de twee rijen stijgen.

58.

Welk verband stelt de grafiek voor.

a)

Recht evenredig

b)

Omgekeerd evenredig

c)

Niet evenredig

59.

Welk verband stelt de grafiek voor.

a)

Recht evenredig

b)

Omgekeerd evenredig

c)

Niet evenredig

60.

Welk verband stelt de grafiek voor.

a)

Recht evenredig

b)

Omgekeerd evenredig

c)

Niet evenredig

61.

Welk verband stelt de grafiek voor.

a)

Recht evenredig

b)

Omgekeerd evenredig

c)

Niet evenredig

62.

Hoe heet deze soort grafiek?

a)

Rechte door de oorsprong

b)

Hyperbool

c)

Hyperbooltak

63.

Hoe heet deze soort grafiek?

a)

Rechte door de oorsprong

b)

Hyperbool

c)

Hyperbooltak

64.

Duid de formule aan die bij de tabel hoort.

a)

v=15mv=15\cdot m  

b)

m=15vm=15\cdot v  

c)

m=15+vm=15+v  

d)

v=15+mv=15+m  

65.

Duid de formule aan die bij de tabel hoort.

a)

v=12pv=12\cdot p  

b)

p=12+vp=12+v  

c)

p=12vp=12\cdot v  

d)

v=12+pv=12+p