wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Hoofdstuk 4 elektriciteit

Total questions: 20

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Wat heb je nodig om een stroomkring te maken?

a)

Batterij, lampjes en een schakelaar

b)

batterij, lampjes en een stroommeter

c)

batterij, lampjes en snoeren

d)

Batterij, lampjes en een spanningsmeter

2.

Wat is een isolator?

a)

stoffen waar een elektrische stroom gemakkelijk doorheen kan lopen

b)

Stoffen waar een elektrische stroom niet of heel slecht doorheen kan lopen

c)

Geen van beiden

3.

Wat is een geleider

a)

Stoffen waar een elektrische stroom makkelijk doorheen kan lopen

b)

stoffen waar een elektrische stroom niet of heel slecht doorheen kan lopen

c)

Geen van beiden

4.

10mA = ... A

a)

0,010A

b)

0,1A

c)

10000A

d)

1000A

5.

6V = ... mV

a)

0,006mV

b)

0,06mV

c)

600mV

d)

6000mV

6.

Als je twee batterijen in serie schakelt, dan ...

a)

mag je de stroomsterkte bij elkaar optellen

b)

mag je de spanningen bij elkaar optellen

c)

blijft de spanning gelijk aan 1 batterij

d)

blijft de stroomsterkte gelijk aan 1 batterij

7.

Wat is dit voor een symbool

a)

lampje

b)

stopcontact

c)

bel

d)

batterij

8.

Wat is dit voor een symbool?

a)

stroommeter

b)

spanningsmeter

c)

lampje

d)

motor

9.

Wat is dit voor een symbool?

a)

spanningsmeter

b)

stroommeter

c)

lampje

d)

motor

10.

Wat is dit voor een symbool?

a)

schakeling

b)

gelijkspanning

c)

wisselspanning

d)

schakelaar

11.

Wat is dit voor een schakeling?

a)

Serie schakeling

b)

parallelschakeling

c)

gecombineerde schakeling

12.

10kW = ... W

a)

0,010W

b)

0,1W

c)

1000W

d)

10000W

13.

Waar moet de stroommeter staan om de totale stroomsterkte te meten?

a)

tussen de + en eerste splitsing

b)

tussen eerste splitsing en het onderste lampje

c)

tussen de eerste splitsing en het bovenste lampje

d)

het maakt niet uit want de stroomsterkte is overal gelijk

14.

Waar zet je de spanningsmeter, als je de totale spanning wilt meten?

a)

Over lampje 1

b)

Over lampje 2

c)

Over lampje 3

d)

Over alle lampjes

15.

Waar zet je de stroommeter als je de totale stroomsterkte wilt meten?

a)

tussen de + en lampje 1

b)

tussen lampje 1 en lampje 2

c)

tussen lampje 2 en lampje 3

d)

Maakt niet uit, de stroomsterkte is overal gelijk

16.

Wat is de eenheid van vermogen?

a)

Watt

b)

Volt

c)

Ampère

d)

Ohm

17.

Wat is de eenheid van spanning?

a)

Watt

b)

Volt

c)

Ampère

d)

Ohm

18.

Wat is de eenheid van stroomsterkte?

a)

Watt

b)

Volt

c)

Ampère

d)

Ohm

19.

Een lamp heeft een spanning van 12V en de stroomsterkte is 0,7A. Bereken het vermogen van de lamp.

a)

12,7W

b)

11,3W

c)

8,4W

d)

17,1W

20.

Hoeveel is de netspanning in Nederland?

a)

12V

b)

100V

c)

200V

d)

230V