WorksheetsBetrekkelijk voornaamwoord - bijzinnen PH
Total questions: 8
Worksheet time: 40mins
Maak de bijzin. Gebruik een betrekkelijk voornaamwoord.
1. De kat van haar vriendin, (a) is weggelopen.
(zij, zorgen voor in de vakantie, o.v.t.t.)
Maak de bijzin, gebruik een betrekkelijk voornaamwoord.
2. De bus, (a) , had een uur vertraging.
(hij, terugkomen uit Duitsland o.v.t.t.)
Maak de bijzin, gebruik een betrekkelijk voornaamwoord.
3. Dat idee, (a) vind ik erg leuk.
(je collega, het hebben over, o.v.t.)
Maak de bijzin, gebruik een betrekkelijk voornaamwoord.
4. De gymnastiekoefening (a) , vind ik erg gevaarlijk.
(je, ondersteboven moeten hangen, o.t.t.),
Maak de bijzin, gebruik een betrekkelijk voornaamwoord.
5. Ik kan mijn agenda (a) , nergens vinden.
(ik, de afspraak opschrijven v.t.t.)
Maak de bijzin, gebruik een betrekkelijk voornaamwoord.
6. De club (a) , is dit jaar kampioen geworden.
(zij, lid zijn, o.t.t.)
Maak de bijzin, gebruik een betrekkelijk voornaamwoord.
7. De vrouw (a) , is arts.
(mijn broer, trouwen, v.t.t.)
Maak de bijzin, gebruik een betrekkelijk voornaamwoord.
8. Het boek (a) , heb ik eindelijk gevonden.
(ik, op zoek zijn o.v.t.)
