wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Nederlands Lezen 3

Total questions: 24

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Noem drie methoden die worden aangeboden bij het grondig lezen

a)

samenvatten

b)

geeltjes plakken

c)

mindmap maken

d)

tekening maken

2.

Welke twee leesstrategieen gebruik je na het lezen

a)

voorspellen

b)

terugkijken

c)

vragen stellen

d)

samenvatten

3.

vul een van de vijf stappen in van hoe je het voorspellend lezen aanpakt

(a)  

4.

wat is het onderwerp van een tekst en hoe noteer je dat?

(a)  

5.

Waarnaar kunnen verwijswoorden verwijzen?

(a)  

6.

Hoe groot kunnen de delen zijn waarnaar een verwijswoord verwijst?

a)

een hele zin

b)

een woord

c)

een deel

d)

een paar woorden

7.

welk leestype ben jij en wat zijn de belangrijkste kenmerken van jouw leestype?

(a)  

8.

Geef 4 voorbeelden van verwijswoorden

(a)  

9.

Welke signaalwoorden horen bij het verband doel-middel?

(a)  

10.

Welke signaalwoorden horen bij het verband samenvatting?

(a)  

11.

Welk soort verband hoort bij de signaalwoorden: maar, toch, terwijl, ook al, hoewel, ofschoon, daar staat tegenover, niettemin, echter, daarentegen, etc.

(a)  

12.

Welke signaalwoorden horen bij het verband voorwaarde?

(a)  

13.

Hoe werkt de leesmotor?

(a)  

14.

Wat is het onderwerp van een tekst en hoe noteer je dat?

(a)  

15.

Wat is de hoofdgedachte van een tekst en hoe noteer je die?

(a)  

16.

welke signaalwoorden horen bij het verband tijd aangevend?

(a)  

17.

Welk verband hoort bij de volgende signaalwoorden: als, mits, indien, tenzij, aangenomen dat, in het geval dat, gesteld dat en zodra

(a)  

18.

Bij welk verband horen de volgende signaalwoorden: dus, hieruit volgt, dan ook, concluderend?

(a)  

19.

Welke signaalwoorden horen bij het verband oorzaak-gevolg?

(a)  

20.

Welk verband hoor bij de volgende signaalwoorden: want, omdat, daarom, hierom, om deze reden, op grond van, aangezien, immers?

(a)  

21.

Welke signaalwoorden horen bij het verband opsomming?

(a)  

22.

Welk verband hoort bij de volgende signaalwoorden: bijvoorbeeld, zo, met name, denk aan, zoals, met andere woorden, dat wil zeggen, als voorbeeld, een voorbeeld

(a)  

23.

Bij welk verband horen de volgende signaalwoorden: net als, als, zoals, alsof, evenals, op dezelfde manier, hetzelfde, vergeleken met, vergelijk, doet denken aan...?

(a)  

24.

Welke twee leesstrategieën horen bij 'tijdens het lezen'?

(a)