wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

pv ow ww spelling

Total questions: 22

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de pv: Wat is jouw naam?

a)

Wat

b)

is

c)

jouw

d)

naam

2.

Wat is de pv: Ik help jou altijd op vrijdag.

a)

Ik

b)

help

c)

jou

d)

op vrijdag

3.

Wat is de pv: Ga jij de honden nog uitlaten vandaag?

a)

de honden

b)

vandaag

c)

nog

d)

Ga

4.

Vul de persoonsvorm tt in.

Hij (downloaden) niet alleen, hij updadet ook altijd.

a)

downloadt

b)

download

c)

downloaded

5.

Vul de persoonsvorm tt in.

De leerling (overleggen) met het groepje over de opdracht van Nederlands.

a)

overlegd

b)

overlegt

c)

overleggen

6.

Vul de persoonsvorm tt in.

Joris (bekladden) de muren met groene verf.

a)

bekladden

b)

beklad

c)

bekladt

7.

Vul de persoonsvorm tt in.

Het model (showen) de nieuwste mode.

a)

show

b)

showt

c)

showd

8.
Zoek het onderwerp in deze zin.
Harry Potter gaat voor het eerst naar Zweinstein.
a)
Harry Potter
b)
Zweinstein
c)
gaat
d)
eerst
9.
Zoek in deze zinnen de persoonsvormen.
Harry Potter houdt van Hermelien, maar heeft een hekel aan Voldemort.
a)
Harry Potter en Hermelien
b)
houdt en heeft
c)
houdt en maar
d)
hekel en houdt
10.
Een samengestelde zin heeft ....... persoonsvormen.
a)
één
b)
twee
c)
twee of meer
d)
geen
11.
Zoek het onderwerp en de persoonsvorm in deze zin.
Volgens mij is het neefje van Harry een gemene pestkop.
a)
Harry / gemene pestkop
b)
het neefje van Harry / is
c)
mij / is
d)
is / gemene pestkop
12.
Meester Pieter speelt basgitaar bij een bandje uit de buurt.
Het onderwerp in de zin is;
a)
meester
b)
Pieter
c)
meester Pieter
d)
bandje uit de buurt
13.
Elke morgen start opa aan zijn ochtendwandeling van 8 km.
Deze zin staat in...
a)
het meervoud
b)
het enkelvoud
14.
Iedere zondag komt de hele familie samen bij oma en opa om gezellig bij te babbelen.
Het onderwerp is:
a)
iedere zondag
b)
de hele familie
c)
oma en opa
15.

Wat is de pv: Waarom zijn bananen krom?

a)

krom

b)

zijn

c)

bananen

d)

Waarom

16.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het moet in de verleden tijd!


Ik (landen) weer met beide benen op de grond.

a)

landden

b)

land

c)

landde

d)

landen

17.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het moet in de verleden tijd!


Mijn vriend (morsen) cola over mijn shirt.

a)

morst

b)

marste

c)

morsten

d)

morste

18.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het is verleden tijd!


De wond (bloeden) erg hevig.

a)

bloedde

b)

bloedt

c)

bloedden

d)

bloeden

19.

Een voltooid deelwoord heeft altijd een hulpwerkwoord nodig.

a)

Klopt!

b)

Welnee!

20.

Sterke werkwoorden:

a)

veranderen niet van klank in de verleden tijd.

b)

veranderen wel van klank in de verleden tijd.

c)

schrijf je met 'dt'

21.
Het onderstreepte zinsdeel is ......
a)
gezegde
b)
onderwerp
c)
lijdend voorwerp
d)
persoonsvorm
22.
Het onderstreepte zinsdeel is ......
a)
onderwerp
b)
persoonsvorm
c)
lijdend voorwerp
d)
meewerkend voorwerp