Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

weerstand

Total questions: 21

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Gelijke elektrische ladingen:

a)

Trekken elkaar aan

b)

Stoten elkaar af

c)

Hangt van de soort lading af

2.

De eenheid van spanning is:

a)

Ampere

b)

Volt

c)

Ohm

3.

Als de weerstand hoger wordt en de spanning blijft gelijk, dan....

a)

Wordt de stroom hoger

b)

Blijft de stroom gelijk

c)

Neemt de stroom af

4.

De weerstand van een LDR is afhankelijk van:

a)

Licht

b)

Temperatuur

c)

Spanning

d)

Stroom

5.

De weerstand van een NTC is afhankelijk van:

a)

Licht

b)

Temperatuur

c)

Spanning

d)

Stroom

6.

Op de meeste wandcontactdozen staat een spanning van ?

a)

12V

b)

16A

c)

220V

d)

230V

7.

Een korte dikke koperen kabel heeft een:

a)

Hoge weerstand

b)

Lage weerstand

c)

Slechte weerstand

d)

Goede weerstand

8.

De stroom moet zich door de gloeidraad van een lamp heen een weg banen, deze barrière noemen we in de elektrotechniek de:

a)

Spanning

b)

Voltage

c)

Ampère

d)

Weerstand

9.

In formules geven we de weerstand aan met de letter:

a)

R

b)

r

c)

V

d)

A

10.

In de wet van Ohm schrijven wij voor de stroom de letter:

a)

R

b)

A

c)

V

d)

I

e)

U

11.

Om het vermogen te berekenen gebruiken wij de formule:

a)

U=I.R

b)

I=U.R

c)

P=u.I

d)

U=P.I

12.

In afbeelding 1 zie je een:

a)

parallel schakeling

b)

Gemengde schakeling

c)

Serie schakeling

d)

Zwakstroom schakeling

13.

Als de spanning over een weerstand en de stroom door die weerstand bekend is kunnen we met de wet van Ohm de …………….. berekenen.

a)

Spanning

b)

Vervangingsweerstand

c)

Weerstand

d)

Weerstandswaarde

14.

Bereken de weerstand van het lampje.

(a)  

15.

Bereken de weerstand van het RECHTSE lampje.

(a)  

16.

In een serieschakeling is de ....... altijd overal gelijk.

a)

Weerstand

b)

Stroomsterkte

c)

Spanning

d)

Volt

17.

De spanning over een weerstandje is 12V en de stroom erdoor is 0,2A. Wat is de waarde van dit weerstandje?

a)

2,4 Ω

b)

24 Ω

c)

6 Ω

d)

60 Ω

18.

Kijk naar de schakelingen in de afbeelding. In welke schakeling branden de lampjes feller?

a)

In schakeling 1.

b)

In schakeling 2.

c)

Ze branden in beide schakelingen even fel.

19.
40 kJ komt overeen met
a)
4000 J
b)
40000 J
c)
400 J
20.

Welke 2 regels zijn juist voor een parallelschakeling?

a)

Utotaal =U1 +U2 U_{totaal\ }=U_{1\ }+U_{2\ }

b)

Itotaal =I1 =I2I_{totaal\ }=I_{1\ }=I_2

c)

Itotaal = I1 + I2 I_{totaal\ }=\ I_{1\ }+\ I_{2\ }

d)

Utotaal =U1 =U2U_{totaal\ }=U_{1\ }=U_2

21.

Een wasmachine thuis heeft een vermogen van 2 kW. Bereken de stroomsterkte (I).

a)

8,7 A

b)

460 A

c)

0,115 A

d)

3 A