Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

ONTW Lesweek 3 t/m 5

Total questions: 25

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Autsismespectrumstoornis treedt altijd op in de...

a)

kindertijd

b)

adolescentiefase

c)

dat is niet tijdsgebonden en kan altijd optreden

2.

Een angsstoornis ontstaat in de....

a)

kindertijd

b)

adolescentiefase

c)

dat is niet tijdgebonden

3.

Wat voor een stoornis is Syndroom van Down?

a)

aandachtsstoornis

b)

communicatiestoornis

c)

leerstoornis

d)

verstandelijke beperking

4.

Wat voor een stoornis is stotteren?

a)

aandachtsstoornis

b)

communicatiestoornis

c)

leerstoornis

d)

verstandelijke beperking

5.

Wat voor een stoornis is dyslexie?

a)

aandachtsstoornis

b)

communicatiestoornis

c)

leerstoornis

d)

verstandelijke beperking

6.

Wat voor een stoornis is ADHD?

a)

aandachtsstoornis

b)

communicatiestoornis

c)

leerstoornis

d)

verstandelijke beperking

7.

Bij een leerstoornis is een kind.......normaal begaafd.

a)

niet

b)

meestal

c)

wel

8.

Bij een verstandelijke beperking is een kind....... normaal begaafd.

a)

niet

b)

meestal

c)

wel

9.

Wat is de meest bekende leesstoornis?

a)

schrijfproblemen

b)

lees- en spellingsproblemen

c)

dyslexie

d)

dyscalculie

10.

Waar leidt een slechte handmotoriek vaak toe?

a)

schrijfproblemen

b)

lees- en spellingsproblemen

c)

dyslexie

d)

dyscalculie

11.

Wat zijn de meest voorkomende leerstoornissen?

a)

schrijfproblemen

b)

lees- en spellingsproblemen

c)

dyslexie

d)

dyscalculie

12.

Wat betekent letterlijk 'niet kunnen berekenen'?

a)

schrijfproblemen

b)

lees- en spellingsproblemen

c)

dyslexie

d)

dyscalculie

13.

Zonder automatiseren lukt het niet om........ sommen snel uit het hoofd uit te rekenen.

a)

makkelijke

b)

moeilijke

14.

Met automatiseren reken je niet telkens...... sommen opnieuw uit.

a)

makkelijke

b)

moeilijke

15.

Quincy benoemt en schrijft letters erg traag en soms ook fout. Als je Quincy vraagt een ‘b’ te schrijven, schrijft ze na lang nadenken soms een ‘b’, soms een ‘p’ en soms een ‘d’.

a)

een slechte handmotoriek en dus een lees- en spellingsprobleem.

b)

een slechte handmotoriek en dus een schrijfprobleem.

c)

een verklankingsprobleem en dus een lees- en spellingsprobleem.

d)

een verklankingsprobleem en dus een schrijfprobleem.

16.

Wat is GEEN manier om leerproblemen te voorkomen?

a)

stimuleren dat verschillende hersengebieden goed samenwerken

b)

kind voldoende laten bewegen en voldoende speelt

c)

afwachten tot het vanzelf overgaat

17.

Bepaalde taalklanken, woorden of zinnen worden niet of verkeerd uitgesproken (onduidelijk praten)

a)

communictiestoornis

b)

taalstoornis

c)

spraakstoornis

18.

Een onvermogen om adequaat informatie te geven en/of te begrijpen als gevolg van een orgaan- of lichaamsfunctie die ontbreekt, afwijkingen vertoont of beschadigd is.

a)

communictiestoornis

b)

taalstoornis

c)

spraakstoornis

19.

Taal wordt niet of verkeerd begrepen, of niet of verkeerd gebruikt.

a)

communictiestoornis

b)

taalstoornis

c)

spraakstoornis

20.

Jelle heeft een ernstige verstandelijke beperking en is spastisch. Hij heeft een kleine woordenschat, praat erg moeilijk en alle klanken komen er vervormd uit. Het is moeilijk hem goed te verstaan.

a)

een spraakstoornis

b)

een taalstoornis

c)

zowel een spraakstoornis als een taalstoornis

21.

Hoe komt het dat aandachtsstoornissen zo vaak samengaan met leerstoornissen? Beide stoornissen komen voort uit het niet goed functioneren van:

a)

de linkerhersenhelft.

b)

de rechterhersenhelft.

c)

de regelfuncties in het brein.

d)

de regelfuncties in het zenuwstelsel.

22.

Hoe kun je een kind met een aandachtsstoornis helpen bij het selecteren van informatie als het een boek moet lezen? Welke NIET?

a)

Door een prikkelarme omgeving op te zoeken.

b)

Door gebruik te maken van een leeswijzer.

c)

Door tekst en plaatjes gescheiden te houden, bijvoorbeeld plaatjes op de rechterbladzijde en tekst op de linkerbladzijde.

d)

Door na iedere zin even te pauzeren.

23.

Welke uitspraak over hoogbegaafde kinderen is niet juist?

a)

Hoogbegaafde kinderen hebben sociaal en emotioneel vaak problemen, ze missen de aansluiting met leeftijdsgenootjes.

b)

Volwassenen vinden hoogbegaafde kinderen vaak eigenwijs.

c)

Veel hoogbegaafde kinderen gaan graag naar school.

d)

Veel hoogbegaafde kinderen gaan onderpresteren om maar niet op te vallen.

e)

Veel hoogbegaafde kinderen krijgen de verkeerde diagnose opgeplakt.

24.

Waarom is het belangrijk om te weten wanneer een kind hoogbegaafd is?

a)

Dan kan je dat kind altijd de beurt geven.

b)

Dan kan je dat kind uitdagen op zijn/haar eigen niveau.

c)

Dat is niet belangrijk om te weten.

d)

Dat kind kan dan altijd andere kinderen helpen.

25.

Een kind is veel afgeleid in de les (weinig focus) en heeft moeite met plannen en organiseren. Wat zou dit kind kunnen hebben?

a)

CD

b)

DCD

c)

ASS

d)

ADD