wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H4 Regeling

Total questions: 31

Worksheet time: 3hrs 35mins

Name
Class
Date
1.

Welke stellingen zijn juist?

a)

Bij een positieve feedback-loop stimuleert een toename van het resultaat het proces. Bijvoorbeeld de opwarming van de aarde.

b)

Bij een positieve feedback-loop remt een toename van het resultaat het proces. Bijvoorbeeld de regeling van lichaamstemperatuur.

c)

Bij een negatieve feedback-loop stimuleert een toename van het resultaat het proces. Bijvoorbeeld de opwarming van de aarde.

d)

Bij een negatieve feedback-loop remt een toename van het resultaat het proces. Bijvoorbeeld de regeling van lichaamstemperatuur.

2.
Welk deel van het autonome zenuwstelsel zorgt voor een verhoging van de hartslag?
a)
Parasympatische deel
b)
Orthosympatische deel
c)
Para- en orthosympatisch
d)
Animale zenuwstelsel
3.
Hoe noemen we een orgaan dat door een bepaald gedeelte van het zenuwstelsel wordt beïnvloed?
a)
Innervatie
b)
Dubbel orgaan
c)
Doelwit orgaan
d)
Dubbele innervatie
4.
Een uitloper die een impuls van een zenuwcel af geleid noemen we een:
a)
Dendriet.
b)
Axon.
c)
Synaps.
d)
Neuron.
5.
Wat maakt van een elektrisch signaal een snel chemische signaal in een synaps?
a)
Neurotransmitters.
b)
Hormonen.
c)
Witte bloedcellen.
d)
receptor eiwitten.
6.
Wat is NIET waar?
a)
De impulsfrequentie is altijd gelijk.
b)
De impulssterkte is altijd gelijk.
c)
De drempelwaarde ligt meestal rond -50 mV
d)
Eem natrium-kaliumpomp heeft ATP nodig om te kunnen werken.
7.
De witte kleur van de witte stof in het ruggenmerg wordt veroorzaakt door:
a)
Uitlopers van motorische zenuwcellen.
b)
Uitlopers van motorische en sensorische zenuwcellen.
c)
Uitlopers van motorische,  sensorische en schakel zenuwcellen.
d)
Uitlopers van sensorische zenuwcellen.
8.
De grijze kleur van de (vlindervormige) stof in het ruggenmerg wordt veroorzaakt door:
a)
Uitlopers van motorische zenuwcellen.
b)
Uitlopers van sensorische zenuwcellen.
c)
Schakelcellen.
d)
Uitlopers van schakelcellen.
9.
De zenuwcellen met de langste axonen zijn meestal:
a)
Sensorische zenuwcellen.
b)
Motorische zenuwcellen.
c)
Schakelcellen.
d)
Neuronen.
10.
Het zenuwstelsel kan op grond van de bouw worden ingedeeld in het centrale zenuwstelsel en het perifere zenuwstelsel.
a)
Juist
b)
Onjuist
11.
Het autonome zenuwstelsel regelt gewilde bewegingen.
a)

Juist

b)
Onjuist
12.
Het centrale zenuwstelsel bevindt zich in hoofd, romp en ledematen
a)
Juist
b)
Onjuist
13.
De secretie van darmsap door darmsapklieren wordt geregeld door het animale zenuwstelsel.
a)
Juist
b)
Onjuist
14.

Je telefoon gaat af en je pakt met je hand de telefoon op. Wat is hier de prikkel?

a)

Je telefoon

b)

Het geluid van de telefoon

c)

Je hand die de telefoon oppakt.

15.

Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwcel

c)

Schakelcel

16.

Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwcel

c)

Schakelcel

17.

Waar liggen de cellichamen van de schakelcellen en de bewegingscellen?

a)

In de grijze stof

b)

In de witte stof

c)

In de ruggenmergzenuw

d)

In de zenuwknoop

18.

Waar bevindt zich het ruggenmerg?

a)

In de schedel

b)

In de wervelkolom

c)

In je bekken

d)

In je opperarmbeen

19.
Wat is het doel van een reflex?
a)
Bescherming
b)
Bescherming + Ontlasting brein
c)
Bescherming + Beweging
d)
Ontlasting brein
20.
Wat is een reflex?
a)
Vaste, snelle, onbewuste reactie
b)
Trage reactie
c)
Bewuste reactie
21.
Wat is een voorbeeld van een reflex?
a)
Terugduwen
b)
Trappen tegen een bal
c)
Kijken naar een film
d)
Het knipperen van je ogen
22.
Waarom heb je reflexen?
a)
Reflexen beschermen het lichaam
b)
Omdat het leuk is
c)
Reflexen zorgen ervoor dat je weet wanneer je het warm of koud heb
23.
Wat is een Reflexboog?
a)
Een boog van reflexen 
b)
De weg die impulsen bij een reflex afleggen
c)
De spanning tussen reflexen
d)
De ruggenmerg
24.
Waar komt een impuls tijdens een reflex als laatste aan?
a)
In een schakelcel.
b)
In een sensorisch neuron.
c)
In een motorisch neuron.
d)
In de hersenen.
25.
Wat is geen hormoonklier?
a)
Schildklier
b)
Bijnieren
c)
Hypofyse
d)
Borstklier
26.
Waar hebben de hormonen geen invloed op?
a)
Groei en ontwikkeling van het lichaam
b)
Op de stofwisseling
c)
Huidskleur
d)
Op de voortplanting
27.
Waar ligt de hypofyse?
a)
Tussen beide hersenhelften
b)
Bij de nieren
c)
In het geslachtsorgaan
d)
Bij de schildklier
28.
Een persoon heeft een trage werkende schildklier. Wat gebeurt er met zo'n iemand? 
a)
Zo'n persoon word rusteloos
b)
Zo'n persoon vermagert sterk
c)

Bij zo'n persoon is de mate van verbranding in de cellen laag.

d)

Bij zo'n persoon is de mate van verbranding in de cellen hoog

29.
Waar ligt de alvleesklier?
a)
Achter de nieren
b)
Achter de darmen
c)
Bij het hart
d)
Bij de maag
30.
Wat betekend het begrip: bloedsuikerspiegel?
a)
Dat is de hoeveelheid suiker dat zich in het bloed bevind
b)
Dat is bloed met suiker gemengd 
c)
Dat is het glucosegehalte van het bloed
d)
Dat betekenend helemaal niks
31.
Welk hormoon produceren die bijnieren?
a)
Adrenaline
b)
Groeihormoon
c)
Insuline 
d)
Geslachshormonen