wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taal actief 4 thema 5

Total questions: 25

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Hoe heet de persoon die de bewegingen van de aardkorst onderzoekt?

a)

aannemer

b)

antropoloog

c)

choreograaf

d)

geoloog

2.

Wat doe je als je moet evacueren?

a)

Je blijft wachten tot er hulp komt

b)

Je gaat naar een veilige plaats

c)

Je kruipt in de kelder onder je huis

3.

Na de aardbeving zitten er scheuren in de muren en de kraan lekt. Wat kun je van het huis zeggen?

a)

Het is onweerstaanbaar

b)

Het verkeert in een slechte toestand

c)

Het wordt in beslag genomen

4.

Welk woord gebruik je als je vanuit je gevoel reageert?

a)

Euforisch

b)

Helderziend

c)

Instinctief

d)

Vermaard

5.

Kun je verklaren waarom optelefoneren een contaminatie is?

Wat betekent verklaren?

a)

Bepalen

b)

Duidelijk maken

c)

Nagaan

d)

Ontdekken

6.

Het geluid van een tandartsboor is hard en vervelend om te horen.

Welke uitdrukking past hierbij?

a)

Door merg en been gaan

b)

De schade en schande wijs worden

c)

Er een potje van maken

d)

Leven in de brouwerij brengen

7.

Onweer gaat vaak vergezeld van regen.

Hoe kun je deze zin anders zeggen?

a)

Eerst komt het onweer opzetten, daarna is er vaak regen.

b)

Er is vaak regen, maar er komt dan geen onweer.

c)

Na regen komt vaak onweer.

d)

Onweer en regen komen vaak samen voor.

8.

Welke twee zinnen passen bij het lage drukgebied?

a)

Het is een gebied in de lucht.

b)

Het is een gebied op de grond.

c)

Het is er vaak mooi weer.

d)

Het is er vaak slecht weer.

9.

Laten we het zekere voor het onzekere nemen en een paraplu meenemen.

Welke zin past bij het zekere voor het onzekere nemen?

a)

Je doet onhandig

b)

Je bent voorzichtig

c)

Je wilt het graag

10.

Als het gaat stormen, kiezen we het hazenpad.

Wat is een ander woord voor het hazenpad kiezen?

a)

blijven

b)

genieten

c)

vluchten

d)

weigeren

11.

Maak van de zin een zin met een voltooid deelwoord.

Oma en opa komen op bezoek.

(a)  

12.

Maak van de zin een zin met een voltooid deelwoord.

Ik wacht op mijn kamer.

(a)  

13.

Maak van de zin een zin met een voltooid deelwoord.

In ontsnap aan oma's dikke zoenen.

(a)  

14.

Schrijf het onderwerp en het gezegde van de zin op.

Gisteren is de directeur van onze school opgestapt.

(a)  

15.

Schrijf het onderwerp en het gezegde van de zin op.

De school had een appeltje met de gemeente te schillen.

(a)  

16.

Schrijf het onderwerp en het gezegde van de zin op.

Na deze actie zijn ze weer met elkaar gaan praten.

(a)  

17.

Staat de zin in de voltooide of de onvoltooide tijd?

De hond wordt door zijn baasje aan een touwtje voortgetrokken.

a)

voltooide tijd

b)

onvoltooide tijd

18.

Staat de zin in de voltooide of de onvoltooide tijd?

De spijkerbroek had te lange pijpen.

a)

voltooide tijd

b)

onvoltooide tijd

19.

Staat de zin in de voltooide of de onvoltooide tijd?

Mijn vader is gisteren voor een maand op zakenreis vertrokken.

a)

voltooide tijd

b)

onvoltooide tijd

20.

Welk woord hoort op de puntjes, kies uit die, dat of wat.

De auto ......... je daar ziet, is de onze.

a)

die

b)

dat

c)

wat

21.

Welk woord hoort op de puntjes, kies uit die, dat of wat.

Dit is het mooiste ...... ik ooit heb gezien!

a)

die

b)

dat

c)

wat

22.

Welk woord hoort op de puntjes, kies uit die, dat of wat.

Deze auto is iets ......... ik altijd al had willen hebben.

a)

die

b)

dat

c)

wat

23.

Hoe heet het punt in de aardkorst waar een beving begint?

(a)  

24.

In welke tijd staat deze zin?

Ze moesten de patiënt nog eens grondig onderzoeken.

a)

onvoltooide tegenwoordige tijd

b)

onvoltooide verleden tijd

c)

voltooide tegenwoordige tijd

d)

voltooide verleden tijd

25.

Welk woord komt er op de puntjes?

de wind - de storm - ........

a)

de bliksem

b)

de natuurramp

c)

de uitbarsting

d)

de orkaan