Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhalen stof

Total questions: 22

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Wat zijn de oorzaken van het feit dat er in 1973 een einde kwam aan het gouden tijdperk van de Nederlandse economie?

a)

De oliecrisis.

b)

Nederlandse industriebedrijven sloten hun deuren.

c)

Het aantal banen in de landbouwsector daalde.

d)

De kosten van lonen en uitkeringen waren erg gestegen.

2.

Wat houdt de participatiesamenleving in?

a)

Veelvormige samenleving met allerlei soorten mensen.

b)

Samenleving waarin de overheid zorg voor mensen die minder goed voor zichzelf kunnen zorgen.

c)

Samenleving waarin mensen openstaan voor kritiek en nieuwe ideeën.

d)

Samenleving waarin mensen hun verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen leven en omgeving.

3.

Kies de juiste motieven waarom veel Turkse en Marokkaanse arbeiders in Nederland bleven.

a)

De economische situatie in hun herkomstland was veel beter.

b)

In Nederland hadden ze recht op gezinshereniging.

c)

In Nederland hadden ze recht op een uitkering.

d)

Ze mochten Nederland binnenkomen nadat ze waren teruggekomen uit hun herkomstland.

4.

Welke uitspraak is onjuist?

a)

Een radicale moslim vermoordde Theo van Gogh in 2004.

b)

Er is veel criminaliteit onder jonge Marokkaanse Nederlanders.

c)

Pim Fortuyn was liberaal en zette zich af tegen de moslims in Nederland.

d)

Pim Fortuyn werd in 2002 doodgeschoten door een milieuactivist.

5.

Noem een gevolg van ontkerkelijking. Noem er twee.

a)

individualisering

b)

ontzuiling

c)

democratisering

d)

jeugdcultuur

e)

massacultuur

6.

Steeds minder mensen gaan naar de kerk. Dit noemen we..

a)

Ontkerkelijking

b)

Individualisering

c)

Democratisering

d)

Secularisering

7.

Welke stroming wilt dat de grenzen gesloten worden?

a)

Liberalisme

b)

Populisme

c)

Christen-Democratie

d)

Sociaal-Democratie

8.

Wat betekent het begrip "ontzuiling"?

(a)  

9.

Wat is geen motief om te emigreren?

a)

Persoonlijke motieven

b)

Economische motieven

c)

Politieke motieven

d)

Gewelddadige motieven

10.

Wanneer spreek je van gezinshereniging?

a)

Wanneer iemand zijn of haar gezin uit het buitenland naar Nederland haalt

b)

Wanneer iemand trouwt met een partner uit het buitenland

c)

Wanneer vluchtelingen elkaar na jaren van oorlog weer terug vinden

d)

Wanneer de man genoeg geld heeft verdiend en terug gaat naar zijn gezin in het buitenland.

11.

Wanneer spreek je van emigratie?

a)

Wanneer je verhuist naar een andere stad

b)

Wanneer je weggaat uit jouw eigen land

c)

Wanneer jij jouw provincie uit gaat

d)

Wanneer je een land in komt

12.

Welk verdrag zegt dat je vrij kan wonen, werken en reizen door EU-landen?

a)

Universele Verklaring van de Rechten van de Mens

b)

Europese Verklaring van de Rechten van de Mens

c)

Vluchtelingenverdrag van Genève

d)

Verdrag van Schengen

13.

Wat betekent integratie?

a)

Bevolkingsgroepen leven gescheiden van elkaar

b)

Bevolkingsgroepen moeten zich volledig aanpassen aan de dominante cultuur

c)

Uitwisseling van subculturen van nieuwkomers en de dominante cultuur.

d)

De bevolkingsgroepen moeten zich houden aan de Nederlandse waarden en normen

14.

Welke stroming vindt dat je zelf verantwoordelijk bent om te integreren?

a)

Liberalisme

b)

Populisme

c)

Sociaal-Democratie

d)

Christen-Democratie

15.

Wat gebeurt er als polarisatie toeneemt in een land?

a)

Dan wordt er meer gediscrimineerd

b)

Dan wordt het land armer

c)

Dan wordt de sociale cohesie versterkt

d)

Dan neemt de sociale cohesie af

16.

Welk begrip / welke beschrijving past bij het feit dat de verzorgingsstaat in de jaren '80 té bureaucratisch werd?

a)

Vergrijzing

b)

Er kwamen te veel arbeidsongeschikten.

c)

Werkelozen weigerden werk dat 'niet passend was'.

d)

Er kwam een grote hoeveelheid wetten en regels.

17.

Waar bezuinigde het kabinet Lubbers op?

a)

Op salarissen van ambtenaren, onderwijzers, ondeerwijs, defensie en ontwikkelingssamenwerking.

b)

Op salarissen van bouwvakkers, winkelpersoneel, openbaar vervoer en infrastructuur.

c)

Op nieuwbouwwoningen en ziektekosten

d)

Op bonussen aan de KLM , Philips en Shell.

18.

Welke staatsbedrijven werden geprivatiseerd ten tijde van de kabinetten Lubbers?

a)

De universiteiten.

b)

PTT en de Nederlandse Spoorwegen

c)

de zorgverzekeringen

d)

de belastingdienst

19.

Wat bedoelen we met poldermodel?

a)

Overleg tussen werkgevers en werknemers vond voortaan in de buitengebieden plaats.

b)

Overleg tussen overheid en burgers gebeurde door inspraakbijeenkomsten.

c)

Besluiten werden genomen door overleg tussen werkgevers en werknemers en overheid

d)

De nieuwbouwwijken in de steden werden weer terug gegeven aan de polder.

20.

Welke begrippen horen bij individualisering?

a)

ontzuiling - Algemene Wet Gelijke Behandeling - euthanasiewetgeving

b)

individulaisering - uitbreiding EU - gabberbeweging - migratie

c)

individualisering - zelfredzaamheid - Dutchbad - vergrijzing

d)

individualisering - oliecrisis - gastarbeiders - consumptiemaatschappij

21.

Welke twee zaken horen bij de Nederlandse emigratie van na 1945?

a)

De overheid stimuleerde deze emigratie

b)

De meeste emigranten verhuisden binnen Europa

c)

De overheid vond Nederland te vol

d)

Anderhalf miljoen Nederlanders emigreerden

22.

In 1973 werd Nederland getroffen door een economische crisis. Wat is de naam van deze crisis?

(a)