wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Laten we nieuwe woorden leren

Total questions: 30

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.

Wat is dat?

a)

Rechtdoor

b)

Linksaf

c)

Rechtsaf

d)

Linkerkant

2.

Wat staat er op de foto?

a)

De natuur

b)

De revier

c)

De molen

d)

Wandelen

3.

Wat staat er op de foto?

a)

de molen

b)

de natuur

c)

de rivier

d)

wandelen

4.

Wat staat er op de foto?

a)

de pannenkoek

b)

wandelen

c)

de molen

d)

de berg

5.

Wat staat er op de foto?

a)

de regering

b)

de molen

c)

de natuur

d)

de school

6.

Wat staat er op de foto?

a)

de koek

b)

de pannenkoek

c)

de aardappel

d)

de molen

7.

Wat zie je op de foto?

a)

de tandpasta

b)

de molen

c)

de vlag

d)

de rivier

8.

Wat is dat?

a)

Sorry

b)

Bedanken

c)

Beleefd   

d)

 Alsjeblieft

9.

Wat is dat?

a)

Alstublieft

b)

Vragen

c)

Sorry

d)

Bedanken

10.

Wat betekent het?

a)

Waar

b)

Waarom

c)

Wanneer

d)

Bedankt

11.

Hans heeft een oom. De oom woont ver weg aan de dijk. Hans _____hem soep.

a)

helpt

b)

pakt

c)

brengt

d)

heeft

12.

Het gat is klein. Maar wat als het gat groter wordt? Wat______er dan?

a)

wordt

b)

gebeurt

c)

kijkt

d)

heeft

13.

Wat is dat?

a)

het dorp

b)

de drup

c)

de staat

d)

de villa

14.

Zo zit Hans bij de dijk. Met zijn ____in het gat.

a)

duim

b)

handen

c)

been

d)

oor

15.

Toch houdt Hans het gat dicht. Hij geeft ______.

a)

pas op

b)

niet op

c)

op

d)

nast op

16.

Zijn arm is koud, zijn duim doet pijn en hij is heel moe. Hans_____, hij kan niet meer.

a)

huilt

b)

slaapt

c)

was blij

d)

lacht

17.

Hans is acht jaar. Hij woont in een huis bij de _______.

a)

dorp

b)

dijk

c)

staat

d)

water

18.

De dijk is hoog. Dat moet ook, want achter de dijk ligt het______.

a)

dijk

b)

durp

c)

dorp

d)

water

19.

Oom is blij met de ____ van Hans.

a)

bezoeken

b)

hulp

c)

kleinkinderen

d)

zoon

20.

Het water mag het land niet in. Dan komt er______.

a)

een ramp

b)

een man

c)

een koek

d)

een oom

21.

Oom is blij met de hulp van Hans. Dan zegt Hans: "Ik moet gaan______.

a)

het is long

b)

het is koud

c)

het is al laat

d)

het is hoog

22.

De _____al weg. Het wordt koud.

a)

mensen

b)

zoon

c)

zon

d)

sun

23.

Hans hoort"___ ____ ____"

a)

dorp,dorp,dorp

b)

drup,drup,drup

c)

duim,duim,duim

d)

dijk,dijk,dijk

24.

Hans kijkt naar de dijk. Er zit _____in de dijk.

a)

een gut

b)

een gat

c)

een drup

d)

een dorp

25.

Als het gat groter wordt, loopt _____vol water.

a)

het land

b)

de dijk

c)

het dorp

d)

de duim

26.

Het gat moet____. "Help," roept Hans.

a)

dicht

b)

open

c)

hoor

d)

hulp

27.

"Help" roep Hans. Maar geen mens die hem______.

a)

dicht

b)

hoort

c)

heeft

d)

open

28.

Hans krigt een idee. Hij stopt zijn____in het gat.

a)

duim

b)

dijk

c)

hand

d)

water

29.

Daar hangt een ____voor Hans.

a)

duim

b)

dijk

c)

vlag

d)

hulp

30.

Alle mensen in het dorp zijn_____.

a)

blij

b)

boos

c)

acht jaar

d)

weg