wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Kracht en beweging

Total questions: 33

Worksheet time: 8hrs 15mins

Name
Class
Date
1.

Een steen valt op de grond door ...

a)

Zwaartekracht

b)

Veerkracht

c)

Spierkracht

d)

Wrijvingskracht

2.

Een auto remt op de snelweg door ...

a)

Zwaartekracht

b)

Spierkracht

c)

Wrijvingskracht

d)

Veerkracht

3.

Een elastiekje komt terug naar zijn oorspronkelijke vorm door ...

a)

Spierkracht

b)

Spankracht

c)

Wrijvingskracht

d)

Zwaartekracht

4.

Je komt omhoog als je spring door ...

a)

Zwaartekracht

b)

Veerkracht

c)

Spankracht

d)

Spierkracht

5.

Wat is zwaartekracht?

a)

De aantrekkingskracht van de aarde

b)

De kracht die mensen en dieren gebruiken

c)

De kracht die je voelt als je een bocht maakt

d)

De afremmende kracht of wrijving

6.

Welke krachten zijn hier allemaal van toepassing?

a)

Zwaartekracht

b)

Spierkracht

c)

Spankracht

d)

Wrijvingskracht

7.

Het symbool voor kracht is?

a)

Kg

b)

N

c)

F

d)

M

8.

De eenheid van kracht is ...

a)

Kilogram

b)

Massa

c)

Newton

d)

Gewicht

9.

Krachten kunnen ...

a)

De kleur van een voorwerp veranderen

b)

De snelheid van een voorwerp veranderen

c)

De temperatuur van een voorwerp veranderen

d)

Niets aan een voorwerp veranderen

10.

Waar of niet waar:

Een kracht teken je met een pijl

a)

Waar

b)

Niet waar

11.

Welke verandering is opgetreden op het Cola blikje?

a)

Verandering van gewicht

b)

Verandering van kleur

c)

Verandering van vorm

d)

Verandering van massa

12.

Snelheid geven we weer als ... (2 antwoorden)

a)

km/u

b)

m/min

c)

m/s

d)

km/s

13.

Wat is de totale kracht van de fietser?

a)

-30 N

b)

-20 N

c)

70 N

d)

30 N

14.

De fietser heeft een ... snelheid.

a)

Afnemende

b)

Constante

c)

Toenemende

15.

Wat is de totale kracht van deze fiets?

a)

30 N

b)

0 N

c)

900 N

d)

60N

16.

Wat kunnen de effecten van een kracht zijn?

(2 antwoorden)

a)

Het voorwerp wordt groter

b)

Het voorwerp wordt kleiner

c)

De vorm van het voorwerp veranderd

d)

De snelheid van het voorwerp veranderd van snelheid of richting

17.

Wat wordt bedoeld met veerkracht?

a)

De kracht die je met je spieren uitoefent

b)

De kracht die een gespannen veer uitoefent

c)

De kracht die de aarde uitvoert op voorwerpen

d)

De tegenwerkende kracht die de lucht en ondergrond op een bewegend voorwerp uitoefenen.

18.

Welke kracht past het beste bij de foto?

a)

Spierkracht

b)

Zwaartekracht

c)

Veerkracht

d)

Wrijvingskracht

19.

Welke kracht past het beste bij de foto?

a)

Spierkracht

b)

Zwaartekracht

c)

Veerkracht

d)

Wrijvingskracht

20.

Welke foto past het beste bij zwaartekracht?

a)
b)
c)
d)
21.

Reken om: 2315N = kN

a)

0,2315

b)

2,315

c)

23,15

d)

231,5

22.

Reken om: 2,0 kN = N

a)

2000

b)

20

c)

200

d)

0,2

23.

Een auto trekt op bij het stoplicht. Wat is het effect van deze kracht?

a)

Van vorm veranderen

b)

Van richting veranderen

c)

Van snelheid veranderen

24.

Je slaat met een vuist in een stuk klei. Wat is het effect van deze kracht?

a)

Van vorm veranderen

b)

Van richting veranderen

c)

Van snelheid veranderen

25.

Een keeper stompt een bal voor zijn doel weg. Wat is het effect van deze kracht?

a)

Van vorm veranderen

b)

Van richting veranderen

c)

Van snelheid veranderen

26.

Om een kracht zichtbaar te maken teken je een pijl. De pijl die je tekent heeft drie kenmerken: een lengte, een richting en een aangrijpingspunt. Wat geeft de lengte van de pijl aan?

a)

Het geeft de grootte van de kracht

b)

Het geeft de richting van de kracht

c)

Het geeft aan waar de kracht begint.

27.

Je ziet de tekening van een lopende man. Iedere seconde is de man getekend. Geef aan welk soort beweging je hier ziet.

a)

Versnelde beweging

b)

Vertraagde beweging

c)

Beweging met constante snelheid

28.

Je ziet de tekening van een lopende man. Iedere seconde is de man getekend. Geef aan welk soort beweging je hier ziet.

a)

Versnelde beweging

b)

Vertraagde beweging

c)

Beweging met een constante snelheid

29.

Je ziet de tekening van een lopende man. Iedere seconde is de man getekend. Geef aan welk soort beweging je hier ziet.

a)

Versnelde beweging

b)

Vertraagde beweging

c)

Beweging met een constante snelheid

30.

Welk soort beweging laat deze grafiek zien?

a)

Versnelde beweging

b)

Vertraagde beweging

c)

Beweging met constante snelheid

31.

Welk soort beweging laat deze grafiek zien?

a)

Versnelde beweging

b)

Vertraagde beweging

c)

Beweging met constante snelheid

32.

Welk soort beweging laat deze grafiek zien?

a)

Versnelde beweging

b)

Vertraagde beweging

c)

Beweging met constante snelheid

33.

Welke bewering klopt?

a)

Je rekent de snelheid uit door de afstand te delen door de tijd.

b)

Je rekent de snelheid uit door de tijd te delen door de afstand.