wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

v2 - Thema 5

Total questions: 13

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Is de volgende bewering juist of onjuist?

Het fenotype van een organisme ligt vast op het moment van bevruchting.

a)

juist

b)

onjuist

2.

Is de volgende bewering juist of onjuist?

Een gen in een chromosoom maakt deel uit van het genotype van een organisme.

a)

juist

b)

onjuist

3.

Bij de mens is de oogkleur een erfelijke eigenschap.

Bevatten de chromosomen in de cellen van je maag de informatie voor je oogkleur?

a)

ja

b)

nee

4.

Is de volgende bewering juist of onjuist?

Het fenotype van een organisme ligt vast op het moment van bevruchting.

a)

juist

b)

onjuist

5.

Twee uitspraken:

Marit zegt: Een bevruchte eicel van de mens heeft 23 chromosomen

Wiebe zegt: Een cel van je baarmoeder heeft 46 chromosomen

Wie heeft gelijk?

a)

beide

b)

marit

c)

Wiebe

d)

allebei ongelijk

6.

Fons zegt: Tweeeiige tweelingen hebben allebei hetzelfde genotype

Maarten zegt: Eeneiige tweelingen hebben allebei hetzelfde fenotype

Wie heeft gelijk?

a)

allebei

b)

Fons

c)

Maarten

d)

Allebei ongelijk

7.

Twee uitspraken:

Menno zegt: De celkern van een levercel bevat de complete informatie voor al je erfelijke eigenschappen.

Annie zegt: Een gen bevat de informatie voor meerdere erfelijke eigenschappen

Wie heeft gelijk?

a)

beide

b)

Menno

c)

Annie

d)

Allebei ongelijk

8.

Welke bewering is juist?

a)

het fenotype is de som van de zichtbare eigenschappen van het genotype plus de invloed van het milieu

b)

het fenotype is de som van de zichtbare eigenschappen van het genotype zonder de invloed van het milieu

c)

het genotype is de som van de zichtbare eigenschappen van het fenotype zonder de invloed van het milieu

9.

Twee uitspraken:

Winston zegt: Het hebben van een erfelijke ziekte is een voorbeeld van een fenotype

Henk zegt: Het fenotype is altijd hetzelfde als het genotype

Wie heeft er gelijk?

a)

Beide

b)

Winston

c)

Henk

d)

Beide ongelijk

10.

Mathilde laat haar haar verven bij de kapper. Verandert hierdoor haar genotype en haar fenotype?

a)

Genotype wel, fenotype wel

b)

Genotype wel, fenotype niet

c)

Genotype niet, fenotype niet

d)

 Genotype niet, fenotype wel

11.

Vanaf welk moment komt je genotype tot stand?

a)

Tijdens de geboorte

b)

Komt nooit tot stand

c)

vanaf je puberteit

d)

vanaf de bevruchting

12.

Zet in de juiste volgorde van klein naar groot:

a)

cel - chromosoom - DNA - gen

b)

DNA - gen - chromsoom - cel

c)

gen - DNA - chromosoom - cel

d)

gen - chromosoom - DNA - cel

13.

Is dit karyogram (chromosoomportret) van een man of een vrouw?

a)

man

b)

vrouw

c)

kun je niet weten