wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4H/V erfelijkheid monohybride kruisingen

Total questions: 15

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Twee mensen krijgen samen een kind. Ze hebben beide bloedgroep A en van beide mensen is bekend dat hun ouders beide bloedgroep AB hadden. Hoe groot is de kans dat hun kind bloedgroep A heeft?

a)

0%

b)

25%

c)

75%

d)

100%

2.

Bij sommige katten is er een dominant allel wat ervoor zorgt dat ze geen staart hebben. Als dit allel homozygoot voorkomt, sterft de kat in een vroeg embryonaal stadium. Twee katten zonder staart krijgen een kitten; hoe groot is de kans dat deze wel een staart heeft?

a)

0%

b)

25%

c)

33%

d)

100%

3.

Kleurenblindheid is een X-chromosomale eigenschap. Een moeder is kleurenblind en vader is kleurenziend. Hoe groot is de kans dat hun zoon kleurenblind is?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

100%

4.

Kleurenblindheid is een X-chromosomale eigenschap. Een moeder is kleurenblind en vader is kleurenziend. Hoe groot is de kans dat hun dochter kleurenblind is?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

100%

5.

Rood-groen kleurenblindheid is X-chromosomaal, maar blauw-geel kleurenblindheid is autosomaal. Een moeder is kleurenziend, voor beide varianten heterozygoot. Een vader kan alleen blauw-geel niet goed onderscheiden. Hoe groot is de kans dat hun zoon zowel voor rood-groen als voor blauw-geel kleurenblind is?

a)

1/16

b)

1/4

c)

1/2

d)

1

6.

Is de eigenschap ruw haar dominant of recessief? En kan deze X-chromosomaal zijn?

a)

Dominant, X-chromosomaal

b)

Dominant, niet-X-chromosomaal

c)

recessief, X-chromosomaal

d)

recessief, niet-X-chromosomaal

7.
Bij maïsplanten komt een dominant gen R voor dat er voor zorgt dat maïskorrels heel hard worden. Een plant met genotype Rr wordt gekruisd met een andere plant met genotype Rr.
Hoeveel procent de maïsplanten in de F1 heeft harde zaden?
a)
25%
b)
50%
c)
75%
d)
82,2%
8.

Bij honden is het gen voor krullend haar (E) dominant over dat voor sluik haar (e). Iemand wil zoveel mogelijk honden fokken met sluik haar. Met welke van onderstaande kruisingen is de kans op nakomelingen met sluik haar het grootst?

a)

EE x ee

b)

Ee x Ee

c)

Ee x ee

d)

EE x Ee

9.

Een merel (Bb) heeft een wit vlekje op zijn vleugel. Deze merel krijgt jongen met een vrouwtje (bb) zonder witte vlek. Hoe groot is de kans dat het eerste kuiken wat geboren wordt een wit vlekje op zijn veren heeft?

a)

25%

b)

50%

c)

75%

d)

100%

10.

De vachtkleur van cavia's is een erfelijke eigenschap. Is de zwarte vachtkleur dominant of recessief? En ligt de eigenschap op het X-chromosoom of is het autosomaal?

a)

Recessief en X-chromosomaal

b)

Dominant en X-chromosomaal

c)

Recessief en autosomaal

d)

Dominant en autosomaal

11.

De zwarte vachtkleur is dominant. Wat is het genotype van cavia nummer 1 en van cavia nummer 10?

a)

Nummer 1 Aa of AA

Nummer 10 Aa of AA

b)

Nummer 1 Aa

Nummer 10 Aa of AA

c)

Nummer 1 AA of Aa

Nummer 10 Aa

d)

Nummer 1 AA

Nummer 10 AA

e)

Nummer 1 Aa

Nummer 10 AA

12.

Stel dat er sprake zou zijn van een intermediair fenotype bij heterozygote cavia's.

Hebben cavia's 12, 13 en 14 dan dezelfde vachtkleur?

a)

Ja, ze zijn allemaal zwart

b)

Ja, ze zijn allemaal wit

c)

Ja, ze zijn allemaal grijs.

d)

Nee, sommige zijn zwart en sommige grijs

e)

Nee, sommige zijn wit en sommige zijn grijs

13.

Een vrouw heeft een mutatie in het gen op het mitochondriaal DNA (mtDNA). Welk familielid/-leden zal/zullen deze mutatie ook hebben?

a)

De dochter van haar dochter (kleindochter)

b)

De zoon van haar dochter (kleinzoon)

c)

De dochter van haar zoon (kleindochter)

d)

De zoon van haar zoon (kleinzoon)

e)

Geen van deze familieleden

14.

Een kweker kruist twee tulpen met verschillende kleuren. De zaden laat hij uitgroeien tot nieuwe bloemen. Er ontstaan 6 gele tulpen, 14 oranje tulpen en 7 rode tulpen. Wat was het genotype en fenotype van de ouders?

a)

TrTr x TgTg

Rood x geel

b)

TrTg x TgTg

Oranje x geel

c)

TrTr x TgTr

Rood x oranje

d)

TrTg x TrTg

Oranje x oranje

15.

In een bepaald stuk DNA is 24% van de stikstofbasen adenine. Hoeveel procent is er van de andere stikstofbasen in dit stuk DNA?

a)

thymine 26%, cytosine en guanine kan je niet weten

b)

thymine 24%, cytosine en guanine beide 26%

c)

cytosine 26%,

thymine 26% en guanine 24%

d)

cytosine, thymine en guanine 25,3%

e)

Dit kun je niet weten