wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3B MASK PL H1,2 en 3

Total questions: 23

Worksheet time: 22mins

Name
Class
Date
1.

Vink de drie voorbeelden van subculturen aan.

a)

Afkomst

b)

Geloof

c)

Een gezin

d)

Leeftijd

e)

Overheid

2.

Wat is een subcultuur?

a)

Een cultuur van een kleine groep mensen binnen een samenleving

b)

Een cultuur van mensen vroeger

c)

Een subcultuur is juist geen cultuur

d)

Een cultuur van de meeste mensen

3.

Wat is een dominante cultuur?

a)

Normen, waarden en gewoonten van sommige mensen in een land

b)

Een cultuur die mensen wordt opgedrongen

c)

Normen, waarden en gewoonten van de meeste mensen in een land

d)

Eén van de subculturen

4.

Is dit een voorbeeld van een subcultuur?

a)

Ja

b)

Nee

5.

Boeren in Nederland behoren tot ... ?

a)

De dominante cultuur

b)

Een subcultuur

c)

Zowel de dominante als een subcultuur

6.

Haring eten hoort al heel lang bij de dominante Nederlandse cultuur.

a)

juist

b)

onjuist

7.

Een kenmerk van de multiculturele samenleving is dat:

a)

er verschillende godsdiensten zijn.

b)

er geen dominante cultuur is.

c)

kinderen zakgeld krijgen

d)

vrouwen een betaalde baan hebben

8.

Een broodje shoarma eten hoort al heel lang bij de dominante Nederlandse cultuur.

a)

juist

b)

onjuist

9.

Een voorbeeld van een dominante cultuur in Nederland is

a)

Carnaval

b)

Sinterklaas

c)

Halloween

10.

Welk woord ontbreekt in de onderstaande zin?

Door het maken van wetten heeft de overheid invloed op de ..….

(a)  

11.

Welke uitspraken zijn juist?

Socialisatie zorgt onder andere voor:

1.de manier waarop iemand met zijn familie omgaat.

2.aangeboren eigenschappen.

3.het aanleren van kenmerken van een groep, zoals waarden en normen.

4.dat je weet wat je van iemand kan verwachten.

a)

uitspraak 1

b)

uitspraak 2

c)

uitspraak 3

d)

uitspraak 4

12.

wanneer ben je immigrant?

a)

Als je Nederland binnen komt om er te gaan wonen

b)

Als je uit Nederland vertrekt om in een ander land te gaan wonen

13.

Arab en Shanty praten verder nog over wat er bij hen thuis normaal is. Shanty moet bijvoorbeeld bidden voor het eten en Arab moet zijn schoenen bij de voordeur uitdoen voordat hij veder naar binnen mag.


Welk kenmerk van de multiculturele samenleving is hier van toepassing?

a)

Geen gezamenlijke geschiedenis

b)

Meerdere geloofsrichtingen

c)

Verschillende waarden en normen

d)

Verschillende gewoonten

14.

Veel organisaties hebben invloed op iemands waarden, normen en gedrag. Welke is het belangrijkst voor kleine kinderen?

a)

De media

b)

De overheid

c)

Het gezin

d)

Het geloof

15.

Socialisatie betekent dat mensen:

a)

kenmerken van een groep aanleren.

b)

allemaal dezelfde normen en waarden aanleren.

c)

verschillende culturen leren kennen.

d)

alle aangeboren eigenschappen afleren.

16.

Het gezin, de media, politiek, vrienden, verenigingen zijn:

a)

onderdeel van een cultuur

b)

tegenculturen

c)

socialiserende instituties

d)

voorbeelden van een collectieve cultuur

17.

Je bent tolerant als je:

a)

het altijd met de waarden en normen van anderen eens bent.

b)

snel de waarden en normen van anderen overneemt.

c)

het geen probleem vindt dat mensen andere normen en waarden hebben dan jij.

d)

argumenten hebt om anderen van jouw normen en waarden te overtuigen.

18.

Wanneer ben je een emigrant?

a)

Als je Nederland binnen komt om hier te gaan wonen

b)

Als je Nederland uit gaat om in een ander land te gaan wonen

19.

Wanneer spreek je van gezinshereniging?

a)

Wanneer iemand zijn of haar gezin uit het buitenland naar Nederland haalt

b)

Wanneer iemand trouwt met een partner uit het buitenland

c)

Wanneer vluchtelingen elkaar na jaren van oorlog weer terug vinden

d)

Wanneer de man genoeg geld heeft verdiend en terug gaat naar zijn gezin in het buitenland.

20.

Wat is geen motief om te emigreren?

a)

Persoonlijke motieven

b)

Economische motieven

c)

Politieke motieven

d)

Gewelddadige motieven

21.

Gezinsvorming betekent dat families weer herenigt worden

a)

Waar

b)

Niet waar

22.

Welke grondswetartikelen vormen een belangrijke basis voor de pluriformiteit van de samenleving?

1 vrijheid van meningsuiting

2 volksgezondheid

3 gelijke behandeling

4 vrijheid van godsdienst

a)

1, 2 en 3

b)

1, 2 en 4

c)

1, 3 en 4

d)

2, 3 en 4

23.

Pluriforme samenleving

a)

Het aanleren van de cultuurkenmerken van een samenleving of groep.

b)

Een samenleving van mensen met verschillende culturen en leefstijlen.

c)

Aangeleerde gewoonten, opvattingen, normen en waarden zijn een automatisch deel van je gedrag geworden.

d)

Personen en instellingen waar de cultuuroverdracht in een samenleving plaatsvindt, zoals ouders, school, werk, vrienden en via de media.