Font size
WorksheetsConjugation verbs chapter 1
Total questions: 20
Worksheet time: 20mins
Ik ...(lopen) naar mijn werk.
(a)
Hij ... (fietsen) naar school.
(a)
Ze ... (wonen) in Frankrijk.
(a)
Zij ... (wonen) niet in Frankrijk.
(a)
Hoe ... (gaan) het met je?
(a)
Wij ... (zijn) nieuw in Utrecht.
(a)
Hij ... (zijn) ook nieuw in Utrecht.
(a)
Yoeri ... (komen) uit Barneveld.
(a)
Hij ... (spreken) Engels, Nederlands en een beetje Duits.
(a)
...(spreken) jij Duits?
(a)
Morgen ... (geven) ik een feestje.
(a)
... (geven) jij een feestje als je jarig bent?
(a)
... (luisteren) u vaak naar de radio?
(a)
Kun je ... (raden) waar ik vandaan kom?
(a)
Hoe .. (spellen) je je naam?
(a)
Hij ... (praten) heel veel.
(a)
Hoe vaak ... (studeren) jij per week?
(a)
U ... (leren) alle nieuwe woorden.
(a)
Het kind ... (zeggen) waar ze woont.
(a)
De vrouw ... (schrijven) een boek.
(a)
