Font size
WorksheetsOpdracht taalkundig ontleden-1
Total questions: 50
Worksheet time: 22mins
Het is altijd een lidwoord.
waar
niet waar
Aardrijkskundige namen zijn zelfstandige naamwoorden.
waar
niet waar
Een bijvoeglijk naamwoord staat altijd voor een zelfstandig naamwoord.
waar
niet waar
Werkwoorden kun je vervoegen.
waar
niet waar
Nike, Primark en McDonalds zijn voorbeelden van zelfstandige naamwoorden.
waar
niet waar
Weinig, verschillende en enkele zijn voorbeelden van ...
voorzetsels
bezittelijke voornaamwoorden
telwoorden
Voorzetsels geven meestal een plaats of tijd aan.
waar
niet waar
Jullie is een voorbeeld van een persoonlijk en een bezittelijk voornaamwoord.
waar
niet waar
Telwoorden kunnen een volgorde aangeven.
waar
niet waar
Welk persoonlijk voornaamwoord kan ook een bezittelijk voornaamwoord zijn?
ik
je
hij
zij
In een zin kunnen maximaal 2 werkwoorden zitten.
waar
niet waar
Nederlands is een moeilijk vak en ook nog eens hartstikke saai! Hoeveel bijvoeglijke naamwoorden telt deze zin?
1
2
3
Bijvoeglijk of bijwoord? Dat meisje lijkt intelligent.
Bijvoeglijk naamwoord
Bijwoord
Bijvoeglijk of bijwoord? Die man is erg oud.
Bijvoeglijk naamwoord
Bijwoord
Bijvoeglijk of bijwoord? Die man is erg oud.
Bijvoeglijk naamwoord
Bijwoord
Bijvoeglijk of bijwoord? Ik zal je snel een antwoord sturen.
Bijvoeglijk naamwoord
Bijwoord
Bijvoeglijk of bijwoord? Pas op, dat handvat kan heel warm worden.
Bijvoeglijk naamwoord
Bijwoord
Bijvoeglijk of bijwoord? Dat veulentje is nu nog wat tenger, maar het belooft een mooi paard te worden.
Bijvoeglijk naamwoord
Bijwoord
Ik heb goed voor de toets geleerd.
lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
voorzetsel
Hij was vorige week ook op dat feestje.
lidwoord
infinitief
voegwoord
voorzetsel
Ik zou graag met hem willen praten, maar ik durf niet.
bijvoeglijk naamwoord
lidwoord
voegwoord
voorzetsel
Heb jij het plastic al aan straat gezet?
zelfstandig naamwoord
bijvoeglijk naamwoord
lidwoord
persoonlijk voornaamwoord
Wat is het voegwoord?
Mama vindt dat ik naar de kapper moet, want mijn haar wordt te lang.
(a)
Lidwoorden (lw) zijn:
de
het
een
deze
daar
De en het zijn ...
bepaald lidwoord
onbepaald lidwoord
Het hele werkwoord heet ook wel ...
infinitief
voltooid deelwoord
persoonsvorm
Hij heeft iets voor haar gekocht.
Wie heeft dat gedaan ?
Deze tas is van hem.
Zulke boeken leest zij nooit.
Mijn vader kocht de zaag bij de GAMMA.
Waarom leer je nooit voor een toets?
De docent heeft hem nu drie keer gewaarschuwd.
Heeft ze haar vakantie al geboekt?
Janneke heeft het versleten, blauwe jasje eindelijk weggegooid.
Heb jij dat pakje van haar gekregen?
Wat heb jij in hemelsnaam met je haren gedaan?
Wil jij dit klusje voor haar doen?
Helaas meneer, uw pasje is verlopen.
Hij zette zijn fiets tegen de schutting.
De buurman heeft ons met schilderen geholpen.
Benoem de woordsoort.
Ze hebben ons naar ons appartement gebracht.
Benoem de woordsoort.
Misschien ga ik morgen naar de bioscoop.
Benoem de woordsoort.
Sommige leerlingen hebben de vraag niet goed gelezen.
Zij krijgt altijd de schuld.
Kies of het onderstreepte woord een koppelwerkwoord (kww), zelfstandig werkwoord (zww) of een hulpwerkwoord (hww) is.
Dat woord wordt vaak door jongeren verkeerd uitgesproken.
hww
kww
zww
Kies of het onderstreepte woord een koppelwerkwoord (kww), zelfstandig werkwoord (zww) of een hulpwerkwoord (hww) is.
Dat woord wordt vaak door jongeren verkeerd uitgesproken.
hww
kww
zww
Kies of het onderstreepte woord een koppelwerkwoord (kww), zelfstandig werkwoord (zww) of een hulpwerkwoord (hww) is.
Arjen Robben had nog een veel grotere voetballer kunnen worden.
hww
kww
zww
Kies of het onderstreepte woord een koppelwerkwoord (kww), zelfstandig werkwoord (zww) of een hulpwerkwoord (hww) is.
Arjen Robben had nog een veel grotere voetballer kunnen worden.
hww
kww
zww
