wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Voorraadbeheer

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Voorraadbeheer heeft te maken met:

a)

De in- en uitstroom van goederen

b)

Dat er een voorraadkast is in het bedrijf

2.

in de voorraadadministratie staat precies

a)

hoeveel spullen een bedrijf nodig heeft

b)

hoeveel spullen er in het magazijn staan

3.

Er is verschil in de manier van opslaan tussen levensmiddelen en andere goederen

a)

Waar

b)

Niet waar

4.

Het voordeel van veel voorraad is:

a)

de klant kan direct de spullen krijgen

b)

het inkopen kost veel geld

c)

er moet voldoende opslagruimte zijn

5.

Het voordeel van weinig voorraad is:

a)

de klant moet rekening houden met een levertijd

b)

geen oude spullen

c)

er is een klein magazijn nodig

6.

Op een etiket staat een barcode of een artikelnummer:

dit geeft informatie over het artikel

a)

Waar

b)

Niet waar

7.

De afkorting TGT betekent:

a)

te goeder trouw

b)

te gebruiken tot

c)

te gaan tot

d)

ten gunste van

8.

De afkorting THT betekent:

a)

te houden tot

b)

tenminste houdbaar tot

c)

te halen tot

d)

te helpen tot

9.

De afkorting UVD betekent:

a)

uit van daar

b)

uiterste verdere datum

c)

uiterste verkoopdatum

d)

uiterste verlies datum

10.

Inventariseren van de voorraad is:

je gaat het magazijn in om

a)

te kijken wat daar staat

b)

te kijken wat je nodig hebt

c)

de hele voorraad te tellen

d)

te kijken of er nog ruimte over is

11.

Een bestelbon is hetzelfde als een orderbevestiging

a)

Waar

b)

Niet waar

12.

LIFO houdt in:

Last in, first out is de methode waar de producten die als laatste zijn binnengekomen als eerste vertrekken.

a)

Waar

b)

Niet waar

13.

 First in, first out (FIFO) wordt veel gebruikt in de kledingwinkel

a)

Waar

b)

Niet waar

14.

Hoeveel graden mag het maximaal in de koelkast zijn?

a)

5 gr

b)

6 gr

c)

7 gr

d)

8 gr

15.

Hoeveel graden is de juiste temperatuur in de vriezer?

a)

-5 gr

b)

-10 gr

c)

-15 gr

d)

- 18 gr

16.

Een gesloten magazijn is een magazijn waar

a)

iedereen zo in kan lopen

b)

niet alle medewerkers in kunnen

c)

alle producten vrij beschikbaar zijn

17.

In de koelkast kun je beter geen blikken bewaren, want die kunnen roesten

a)

Waar

b)

Niet waar

18.

In het WMS systeem wordt precies bijgehouden hoeveel spullen er binnenkomen en hoeveel spullen er uitgaan

a)

Waar

b)

Niet waar

19.

Hoe weet ik hoe ik levensmiddelen op de juiste manier bewaar?

a)

Ik zet alles in de koelkast, dat lijkt me veilig

b)

Ik lees op de verpakking de aanwijzingen

c)

Ik zet alles in mijn voorraadkast

d)

Ik ruim het op in de aanrechtkastjes

20.

Wat is een minimum voorraad?

a)

Kleine verpakkingen

b)

Geen voorraad hebben

c)

de voorraad die je moet hebben om de levertijd te overbruggen

d)

Grote verpakkingen