wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Lijdend en meewerkend voorwerp

Total questions: 15

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Welke vraag geeft als antwoord het lijdend voorwerp (LV)?

a)

Wie of wat doet iets?

b)

Aan wie of voor wie + WWG + onderwerp ?

c)

Wie of wat + WWG + onderwerp ?

d)

Wat zijn de werkwoorden in de zin?

2.

Welke vraag geeft als antwoord het meewerkend voorwerp (MV)?

a)

Wie of wat + WWG + onderwerp ?

b)

Wat zijn de werkwoorden in de zin?

c)

Wie of wat doet iets?

d)

Aan wie / voor wie + WWG onderwerp + lijdend voorwerp?

3.

Wat is het lijdend voorwerp (LV) in deze zin?

Het meisje maakte een tekening voor haar moeder.

a)

het meisje

b)

een tekening

c)

maakte

d)

voor haar moeder

4.

Wat is het lijdend voorwerp (LV) in deze zin?

De bakker bakte het brood voor de buurvrouw.

a)

het brood

b)

bakte

c)

voor de buurvrouw

d)

de bakker

5.

Wat is het lijdend voorwerp (LV) in deze zin?

De burgemeester opende op maandag de bibliotheek.

a)

op maandag

b)

de burgemeester

c)

de bibliotheek

d)

opende

6.

Wat is het lijdend voorwerp (LV) in deze zin?

De boer heeft vanmorgen zijn koeien gemolken.

a)

zijn koeien

b)

vanmorgen

c)

heeft gemolken

d)

de boer

7.

Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in deze zin?

De kinderen maken een tekening voor de juf.

a)

maken

b)

de kinderen

c)

voor de juf

d)

een tekening

8.

Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in deze zin?

Het jongetje heeft zijn vriendje een snoepje gegeven.

a)

heeft gegeven

b)

zijn vriendje

c)

het jongetje

d)

een snoepje

9.

Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in deze zin?

In de zomer spelen de kinderen aan het water.

a)

in de zomer

b)

de kinderen

c)

aan het water

d)

geen MV

10.

Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in deze zin?

De slager geeft ze een stukje worst.

a)

ze

b)

een stukje worst

c)

de slager

d)

geen MV

11.

Wat is het lijdend voorwerp (LV) in deze zin?

Vorige zaterdag heeft mijn vader jullie weggebracht.

a)

vorige zaterdag

b)

mijn vader

c)

jullie

d)

geen LV

12.

Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in deze zin?

Zijn vriendin heeft het mij verteld.

a)

mij

b)

het

c)

zijn vriendin

d)

geen MV

13.

Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in deze zin?

De agent heeft mijn zus betrapt.

a)

geen MV

b)

mijn zus

c)

de agent

d)

betrapt

14.

Wat is het lijdend voorwerp (LV) in deze zin?

Ik heb mij vanmorgen vergist.

a)

ik

b)

vanmorgen

c)

geen LV

d)

mij

15.

Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in deze zin?

Dat is voor mij te moeilijk.

a)

dat

b)

geen MV

c)

te moeilijk

d)

voor mij