wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Lezen 4

Total questions: 20

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Als je snel kijkt waar de tekst over gaat en je jouw kennis over het onderwerp naar boven haalt, dan gebruik je de leesstrategie:

a)

voorspellen

b)

ophelderen

c)

samenvatten

d)

terugkijken

2.

Als je stukjes tekst herleest en je de betekenis van moeilijke woorden of zinnen probeert te achterhalen, dan gebruik je de leesstrategie:

a)

voorspellen

b)

ophelderen

c)

vragen stellen

d)

samenvatten

3.

Hoe start je de leesmotor bij jezelf?

a)

Door teksten te lezen die je interessant vindt.

b)

Door teksten te lezen die passen bij jouw leesniveau.

4.

Je leesstrategie hangt af van je leesdoel.

a)

waar

b)

niet waar

5.

Wanneer gebruik je de leesstrategie 'Ophelderen'?

a)

voor het lezen

b)

tijdens het lezen

c)

na het lezen

6.

Wanneer gebruik je de leesstrategie 'voorspellen'?

a)

voor het lezen

b)

tijdens het lezen

c)

na het lezen

7.

Als je de betekenis van een moeilijk woord wil achterhalen, dan kijk je naar:

a)

het woord zelf

b)

de context (de tekst die eromheen staat)

8.

In welk antwoord staan alleen maar signaalwoorden?

a)

dus, doordat, ook

b)

dus, want, Tim

c)

want, fiets, kortom

d)

Engels, toch, nadat

9.

Welk verband hoort bij het signaalwoord 'dus'?

a)

doel-middel

b)

oorzaak-gevolg

c)

opsomming

d)

conclusie

10.

Welk verband hoort bij het signaalwoord 'verder'?

a)

reden

b)

samenvatting

c)

opsomming

d)

tegenstelling

11.

welk verband hoort bij het signaalwoord 'eerst'?

a)

toelichting

b)

tijdaangevend

c)

vergelijking

d)

voorwaarde

12.

Wat hoort niet bij het tekstgeraamte?

a)

inleiding

b)

kern

c)

tussenkopjes

d)

tabel

13.

Bij een vraag over het onderwerp van een tekst:

a)

vertel je in één woord of een paar woorden waar de tekst over gaat.

b)

vertel je in één zin of maximaal twee zinnen waar de tekst over gaat.

14.

Bij een vraag over de hoofdgedachte van een tekst:

a)

vertel je in één woord of een paar woorden waar de tekst over gaat.

b)

vertel je in één zin of maximaal twee zinnen waar de tekst over gaat.

15.

Waar of niet waar: een tekst met veel feiten is betrouwbaarder dan een tekst met veel meningen.

a)

waar

b)

niet waar

16.

De jongen met de drakentattoo liep in een donker steegje. Daar kreeg hij het benauwd. Naar welk woord verwijst het verwijswoord 'daar'?

(a)  

17.

De jongen met de drakentattoo liep in een donker steegje. Daar kreeg hij het benauwd. Naar welk woord verwijst het verwijswoord 'hij'?

(a)  

18.

Meningen zijn controleerbaar: je kunt vaststellen dat het zo is.

a)

waar

b)

niet waar

19.

Feiten zijn objectief.

a)

waar

b)

niet waar

20.

Meningen zijn subjectief

a)

waar

b)

niet waar