WorksheetsLezen 4
Total questions: 20
Worksheet time: 16mins
Als je snel kijkt waar de tekst over gaat en je jouw kennis over het onderwerp naar boven haalt, dan gebruik je de leesstrategie:
voorspellen
ophelderen
samenvatten
terugkijken
Als je stukjes tekst herleest en je de betekenis van moeilijke woorden of zinnen probeert te achterhalen, dan gebruik je de leesstrategie:
voorspellen
ophelderen
vragen stellen
samenvatten
Hoe start je de leesmotor bij jezelf?
Door teksten te lezen die je interessant vindt.
Door teksten te lezen die passen bij jouw leesniveau.
Je leesstrategie hangt af van je leesdoel.
waar
niet waar
Wanneer gebruik je de leesstrategie 'Ophelderen'?
voor het lezen
tijdens het lezen
na het lezen
Wanneer gebruik je de leesstrategie 'voorspellen'?
voor het lezen
tijdens het lezen
na het lezen
Als je de betekenis van een moeilijk woord wil achterhalen, dan kijk je naar:
het woord zelf
de context (de tekst die eromheen staat)
In welk antwoord staan alleen maar signaalwoorden?
dus, doordat, ook
dus, want, Tim
want, fiets, kortom
Engels, toch, nadat
Welk verband hoort bij het signaalwoord 'dus'?
doel-middel
oorzaak-gevolg
opsomming
conclusie
Welk verband hoort bij het signaalwoord 'verder'?
reden
samenvatting
opsomming
tegenstelling
welk verband hoort bij het signaalwoord 'eerst'?
toelichting
tijdaangevend
vergelijking
voorwaarde
Wat hoort niet bij het tekstgeraamte?
inleiding
kern
tussenkopjes
tabel
Bij een vraag over het onderwerp van een tekst:
vertel je in één woord of een paar woorden waar de tekst over gaat.
vertel je in één zin of maximaal twee zinnen waar de tekst over gaat.
Bij een vraag over de hoofdgedachte van een tekst:
vertel je in één woord of een paar woorden waar de tekst over gaat.
vertel je in één zin of maximaal twee zinnen waar de tekst over gaat.
Waar of niet waar: een tekst met veel feiten is betrouwbaarder dan een tekst met veel meningen.
waar
niet waar
De jongen met de drakentattoo liep in een donker steegje. Daar kreeg hij het benauwd. Naar welk woord verwijst het verwijswoord 'daar'?
(a)
De jongen met de drakentattoo liep in een donker steegje. Daar kreeg hij het benauwd. Naar welk woord verwijst het verwijswoord 'hij'?
(a)
Meningen zijn controleerbaar: je kunt vaststellen dat het zo is.
waar
niet waar
Feiten zijn objectief.
waar
niet waar
Meningen zijn subjectief
waar
niet waar
