wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Bouw van stoffen hst 3 1e deel Nova Max 3havo/vwo scheikunde

Total questions: 25

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

In het atoommodel hebben de subatomaire deeltjes een specifieke plaats.

Geef de juiste locatie van de atomaire subdeeltjes aan.

a)

In de atoomkernen bevinden zich de elektronen en protonen, in de schillen de neutronen

b)

In de atoomkernen bevinden zich de neutronen en elektronen, in de schillen de protonen

c)

In de atoomkernen bevinden zich de protonen en neutronen, in de schillen de elektronen

d)

In de atoomkernen bevinden zich de elektronen, in de schillen de protonen en neutronen

2.

Geef de lading en massa van een proton

a)

Lading +1 massa 0 u

b)

Lading +1 massa 1 u

c)

Lading -1 massa 0 u

d)

Lading -1 massa 1 u

3.

Welke groep noemt men ook wel de edelgassen

a)

1

b)

2

c)

17

d)

18

4.

Een isotoop

a)

Heeft een ander atoomnummer

b)

Heeft een ander aantal elektronen

c)

Heeft een ander aantal neutronen

5.

In een metaal wordt de elektrische stroom geleid door:

a)

elektronen

b)

ionen

c)

protonen

d)

neutronen

6.

Hoeveel protonen zitten in de kern van zuurstof (atoomnummer-8)

a)

6

b)

8

c)

16

d)

7

7.

Het massagetal is:

a)

het aantal protonen

b)

het aantal neutronen

c)

het aantal protonen plus neutronen

8.

Uit hoeveel verschillende elementen C9H8O3

a)

1

b)

3

c)

17

d)

20

9.

Bij het achterhalen van de leeftijd van gevonden fossielen wordt gebruikgemaakt van koolstofdatering. Daarvoor wordt onderzocht wat de verhouding tussen de isotopen C-12 en C-14 is.

Wat is het verschil in atoombouw tussen de isotopen C-12 en C-14?

a)

In C-12 zijn twee neutronen en twee elektronen minder dan in C-14

b)

In C-12 zijn twee neutronen minder dan in C-14

c)

In C-12 zijn twee neutronen en twee elektronen meer dan in C-14

d)

In C-12 zijn 2 neutronen meer dan in C-14

e)

In C-12 zijn twee protonen en twee elektronen minder dan in C-14

10.

Halogeen betekent ook wel zoutmaker. De halogenen zijn een specifieke groep elementen uit het periodiek systeem.

Welke elementen behoren tot de groep halogenen?

a)

Lithium en Natrium

b)

Calcium en magnesium

c)

Zwavel en zuurstof

d)

Fluor en Broom

e)

Neon en Xenon

11.

Atoomsoorten hebben een covalentie. Uit de structuurformule kun je de covalentie afleiden.

Geef de covalentie van de atoomsoorten in de structuurformule:

P2O5

a)

Fosfor covalentie 5;

Zuurstof covalentie 2

b)

Fosfor covalentie 2; zuurstof covalentie

c)

Fosfor covalentie 15 ; zuurstof covalentie 16

d)

Fosfor covalentie 30,97 ; zuurstof covalentie 16,00

12.

Corrosie van ijzer is een voorbeeld van het reageren van welk type metalen

a)

Edele metalen

b)

Onedele metalen

c)

Zeer onedele metalen

13.

Hoeveel electronen komen de halogenen tekort om de edelgasconfiguratie te bereiken

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

14.

Een N2 molecuul heeft hoeveel atoombindingen ?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

5

15.

De covalentie van Si is ?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

16.

Wat is de covalentie van Cl?

a)

4

b)

3

c)

1

d)

2

17.

Welk van onderstaande atoommodellen geeft het model van Bohr weer?

a)
b)
c)
d)
18.

Wat is gelijk bij de isotopen Cl-35 en Cl-37?

a)

Het aantal elektronen.

b)

Het aantal neutronen.

c)

Het massagetal.

19.

Wat voor soort binding komt voor in koper?

a)

Atoombinding

b)

Ionbinding

c)

Metaalbinding

d)

Molecuulbinding

20.
Welk type bindingen komt voor in zouten?
a)
Atoombinding
b)
Ionbinding
c)
Zoutbinding
d)
Molecuulbinding
21.
Zouten geleiden stroom
a)
Waar
b)
Niet waar
c)
Alleen wanneer ze vloeibaar zijn of opgelost in water
22.
Welke van de onderstaande stoffen is geen moleculaire stof?
a)
CS2(g)
b)
C10H22(l)
c)
CaCO3(s)
d)
C3H7OH(l)
23.

Wat is het atoomnummer van Al-27?

Gebruik het periodiek systeem.

a)

27

b)

13

c)

14

24.

Hoeveel elektronen bevat S-34 ?

a)

34

b)

18

c)

16

d)

32

25.

Welke Isotoop heeft drie protonen en vier neutronen?

a)

Li-7

b)

Be-3

c)

N-7