wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Inleiding-Grieken en Romeinen

Total questions: 23

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Waar gaat de tekst over, denk je? Kies het goede antwoord.

a)

over de geschiedenis van Griekeland

b)

over het Romeinse Rijk

c)

over kunst in Nederland

d)

over kunst van 2500 tot 2000 jaar geleden

2.

De Grieken en de Romeinen heersten tegelijkertijd: in het jaar 0.

a)

waar

b)

niet waar

3.

De Grieken geloofden in een god: Ajax.

a)

waar

b)

niet waar

4.

Romeinse tempels lijken op Griekse tempels: er zijn bijna geen verschillen.

a)

waar

b)

niet waar

5.

De Romeinen maakten alleen beelden voor goden, niet voor mensen.

a)

waar

b)

niet waar

6.

Een 'mozaiek' is een tekening van veel gekleurde steentjes.

a)

waar

b)

niet waar

7.

Kies de zin waarin het dikgedrukte woord (heerst) goed gebruikt is

a)

Als je heerst over een bepaald gebied, dan ben je de baas over dat gebied.

b)

Als je heerst over een bepaald gebied, dan werk je in dat gebied.

8.

Kies de zin waarin het dikgedrukte woord (zorgvuldig) goed gebruikt is

a)

zorgvuldig iets doen, betekent dat je het snel en slordig doet.

b)

zorgvuldig iets doen, betekent dat je iets heel netjes en precies doet: je wilt niets fout doen

9.

Kies de zin waarin het dikgedrukte woord (rijk) goed gebruikt is

 

a)

Alle gebieden die bij een land horen, noem je een rijk.

b)

Alle inwoners die in een land wonen, noem je een rijk.

10.

Kies de zin waarin het dikgedrukte woord (amper) goed gebruikt is

 

a)

Als je amper geld heb, dan heb je bijna geen held.

b)

Als je amper geld hebt,dan kun je alles kopen wat je wilt

11.

Kies de zin waarin het dikgedrukte woord (werelddeel) goed gebruikt is

 

a)

Europa is een werelddeel.

b)

Nederland is een werelddeel.

12.

Kies de zin waarin het dikgebrukte woord (kunst) goed gebruikt is

 

a)

In het museum kun je veel oude kunst bekijken.

b)

In het museum kun je veel oude kunst maken.

13.

De sporters willen een eigen voetbalvereniging_________.

a)

heersen

b)

stichten

14.

Niets of niemand is helemaal goed: _______is dus bijna onmogelijk.

a)

kunst

b)

perfectie

15.

Het ongeluk is makkelijk te_______: de stoplichten op het kruispunt waren kapot.

a)

verklaren

b)

vormen

16.

Alle leerlingen in de klas_______samen een leuke groep.

a)

stichten

b)

vormen

17.

In dit thema behandelen we ______onderwerpen.

a)

amper

b)

diverse

18.

Als je gaat trouwen, is dat een belangrijke ______in je leven.

a)

gebeurtenis

b)

perfectie

19.

Je kunt over een werelddeel________.

a)

afleggen

b)

stichten

c)

verklaren

d)

heersen

20.

Je kunt een rijk_______.

a)

verklaren

b)

wijzigen

c)

heersen

d)

stichten

21.

Je kunt een gebeurtenis_______

a)

afleggen

b)

stichten

c)

wijzigen

d)

heersen

22.

Je kunt de koers______.

a)

afleggen

b)

wijzigen

c)

heersen

d)

verklaren

23.

Je kunt een afstand_______.

a)

afleggen

b)

verklaren

c)

wijzigen

d)

heersen