wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Frans studeren examen: regels

Total questions: 56

Worksheet time: 50mins

Name
Class
Date
1.

Je vais acheter du pain. Je vais ............. boulangerie

a)

à la

b)

au

c)

aux

2.

Maman voudrait avoir des œufs. Elle va ................ ferme

a)

à la

b)

au

c)

aux

3.

On ecris AU en le singulier ou pluriel

a)

singulier

b)

pluriel

4.

On ecris AU en le masculin au feminin.

a)

masculin

b)

feminin

5.

On ecris Du en le singulier ou pluriel

a)

singulier

b)

pluriel

6.

On ecris Du en le masculin ou feminin

a)

masculin

b)

feminin

7.

à la est maculin ou feminin

a)

masculin

b)

féminin

8.

à la est singulier ou pluriel

a)

singulier

b)

pluriel

9.

Aux est pluriel ou singulier

a)

pluriel

b)

singulier

10.

Des est pluriel ou singulier

a)

pluriel

b)

singulier

11.

Quel sont les mots interrogatifs?

a)

Quand

b)

Des

c)

Ou

d)

Pourquoi

12.

Quel sont les mots interrogatifs

a)

Comment

b)

Qui

c)

Quoi

d)

Quel

13.

Quel sont les mots interrogatifs?

a)

Combien de

b)

qoui

c)

au

14.

Geef de participe passé van être

(a)  

15.

Geef de participe passé van avoir

(a)  

16.

Geef de participe passé van faire

(a)  

17.

Geef de participe passé van dire

(a)  

18.

Geef de participe passé van voir

(a)  

19.

Geef de participe passé van boire

(a)  

20.

Geef de participe passé van lire

(a)  

21.

Geef de participe passé van récevoir

(a)  

22.

Geef de participe passé van mettre

(a)  

23.

Geef de participe passé van prendre

(a)  

24.

Hoe zeggen we tachtig in het frans

(a)  

25.

Hoe zeggen we 21 in het frans

(a)  

26.

Hoe zeggen we 84 in het frans

(a)  

27.

Hoe zeggen we 76 in het frans

(a)  

28.

Geef de naam van dit?

(a)  

29.

Geef de naam van dit?

(a)  

30.

Geef de naam van dit?

(a)  

31.

Geef de naam van dit?

(a)  

32.

Geef de naam van dit?

(a)  

33.

Geef de naam van dit?

(a)  

34.

Geef de naam van dit?

(a)  

35.

Geef de naam van dit?

(a)  

36.

Geef de naam van dit?

(a)  

37.

Geef de naam van dit?

(a)  

38.

Geef de vertaling van een beetje citroon

(a)  

39.

Geef de vertaling van veel liefde

(a)  

40.

Geef de vertaling van te veel peper

(a)  

41.

Geef de vertaling van een pakje boter

(a)  

42.

Geef de vertaling van een tas melk

(a)  

43.

Geef de vertaling van een sneetje hesp

(a)  

44.

Geef de vertaling van een blikje cola

(a)  

45.

Geef de vertaling van een lepel mayonaise

(a)  

46.

Geef de vertaling van een snuifje zout

(a)  

47.

Geef de vertaling van een doosje maïs

(a)  

48.

Geef de vertaling van een glas wijn

(a)  

49.

Geef de vertaling van een fles water

(a)  

50.

Geef de vertaling van een pot jam

(a)  

51.

Geef de vertaling van een liter thee

(a)  

52.

Geef de vertaling van een kilo tomaten

(a)  

53.

Geef de vertaling van 200 gram gehakt

(a)  

54.

Geef de meervoud van blanc

(a)  

55.

Geef de meervoud van fou

(a)  

56.

Geef de meervoud van long

(a)