Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling leerstof Nederlands 2A juni

Total questions: 52

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.

Noteer de woordsoort van het onderlijnde woord.

Maar het is het vocht waarvoor hij smelt.

a)

zn: soortnaam

b)

zn: eigennaam

c)

bijwoord

d)

voornaamwoord

2.

Noteer de woordsoort van het onderlijnde woord.

Op deze kruk rust zijn geluk.

(a)  

3.

Noteer de woordsoort van het onderlijnde woord.

Hij heft z'n bier met weinig kracht.

a)

pvn

b)

bvn

c)

bw

d)

vz

4.

Noteer de woordsoort van het onderlijnde woord.

Ooh, ooh, naar het paradijs.

a)

lidwoord

b)

bijwoord

c)

telwoord

d)

voorzetsel

5.

Noteer de woordsoort van het onderlijnde woord.

Verdwijn in mijn armen, dan neem ik je mee naar Utopia.

a)

zn: soortnaam

b)

zn: eigennaam

c)

bn

d)

bw

6.

Noteer de woordsoort van het onderlijnde woord.

Ik wacht al zo lang op een leven met jou.

a)

ww

b)

vz

c)

zn: eigennaam

d)

zn: soortnaam

7.

Noteer de woordsoort van het onderlijnde woord.

Toch blijf je rustig zonder slag of stoot.

a)

zn: soortnaam

b)

zn: eigennaam

c)

bn

d)

bw

8.

Noteer de woordsoort van het onderlijnde woord. Gebruik hiervoor de afkorting.

Het overbluft me en de tijd staat stil.

(a)  

9.

Noteer de woordsoort van het onderlijnde woord. Gebruik hiervoor de afkorting.

Ijzig kalm vraag je naar mijn naam.

(a)  

10.

Noteer de woordsoort van het onderlijnde woord.

Nee, ik had niets gemerkt.

a)

ww

b)

bn

c)

bw

d)

vz

11.

Noteer de woordsoort van het onderlijnde woord.

Alsof het je laatste dag is.

a)

ww

b)

bn

c)

bw

d)

tw

12.

Noteer de woordsoort van het onderlijnde woord.

Alsof de morgen niet bestaat.

a)

zn: soortnaam

b)

zn: eigennaam

c)

bn

d)

bw

13.

Noteer de woordsoort van het onderlijnde woord.

Zij ziet toekomst in ons allebei.

a)

zn: soortnaam

b)

zn: eigennaam

c)

bn

d)

bw

14.

Noteer de woordsoort van het onderlijnde woord. Gebruik de afkorting.

Want ze weet, dit gaat voorbij.

(a)  

15.

Noteer de woordsoort van het onderlijnde woord.

Zeg één keer dat je van me houdt.

(a)  

16.

Noteer de woordsoort van het onderlijnde woord. Gebruik hiervoor de afkorting.

Wat als je nu nog wacht?

(a)  

17.

Welk zinsdeel vind je door volgende vraag: 'Wie/wat + WWG + O?'

a)

NWD

b)

LV

c)

MV

d)

adpv

18.

Ina geeft de bloemetjes water.' Welke functie heeft 'de bloemetjes'?

a)

O

b)

MV

c)

LV

d)

NWD

19.

Welke zin is een samengestelde zin?

a)

Joris uit Gent is maar een schim van zichzelf.

b)

Tom is binnenkort jarig en geeft een feest.

c)

Mijn opa, die al jaren postzegels verzamelt, heeft een nieuwe fiets.

d)

Ik kijk graag naar VTM en naar VIER.

20.

Welk tekstverband vind je hier? Tien redenen waarom roken ongezond is!

a)

Beschrijvend

b)

Oorzaak-gevolg

c)

Vergelijkend

d)

Opsommend

e)

Chronologisch

21.

Wat is de functie van het onderstreepte zinsdeel?

De zakenman is niet gelinkt aan dat bedrijf.

a)

LV

b)

NWU

c)

VZV

d)

NWD

e)

B

22.

Wat is de correcte schrijfwijze van 'deleten' OTT? Jij ...

a)

deletete

b)

deleet

c)

delet

d)

deletet

23.

Welke topische vraag kan je stellen zodat deze volgende zin het antwoord is op jouw vraag? Na veertien keren was het dan toch gelukt.

a)

Hoelang duurde het voor de jongen geslaagd was voor zijn rijexamen?

b)

Hoeveel keren?

c)

Hoeveel kostte de inschrijving van het ingangsexamen?

d)

Na hoeveel keren slaagde hij voor het examen?

24.

In welke zin staan de leestekens juist?

a)

“Help”, riep de vrouw, “kom me redden.”

b)

“Joris,” zegt mama, “kom je eten?”

c)

"Appelsienen,” vraagt Lien, “groeit dat aan bomen?”

25.

Verbaasd vroeg zij zich af, waar ze haar pen had neergelegd?

a)

Er moet geen komma in deze zin.

b)

Het vraagteken moet weggelaten worden.

Hier moet een punt staan.

c)

Achter verbaasd moet een komma.

26.

De vrouw riep boos uit : "Bah ik lust geen komkommersoep!"

a)

Achter Bah moet een komma.

b)

Het uitroepteken moet vervangen worden door een punt.

c)

De dubbele punt achter boos moet vervangen worden door een komma.

d)

Achter lust moet een komma.

27.

Als ik naar buiten ga doe ik mijn jas wel even aan.

Waar moet in deze zin de komma?

a)

achter als

b)

achter ga

c)

achter jas

d)

achter doe

28.

"Wie heeft die prop in de hoek gegooid," vroeg de juf.

a)

Achter juf moeten aanhalingstekens.

b)

Achter vroeg moet een komma.

c)

Achter gegooid moet een vraagteken.

d)

Achter juf moet een vraagteken.

29.

Piet zei "Je krijgt geen cadeautjes dit jaar."

a)

Achter cadeautjes moet een komma.

b)

Achter zei moet een komma.

c)

Achter zei moet een dubbele punt.

d)

Er moeten geen aanhalingsteken in de zin.

30.

Ik liep naar buiten, en riep, dat iedereen naar binnen moest komen.

a)

Alle komma's staan goed.

b)

De komma voor het woordje en moet worden weggelaten.

c)

De komma achter riep moet weggelaten worden.

31.

"Maak je veter vast!" zei Jan. Je valt straks op je neus.

a)

De punt achter Jan moet veranderd worden in een dubbele punt.

b)

Het uitroepteken achter vast moet weg.

c)

- Je valt straks op je neus- moet tussen aanhalingstekens.

32.

"Goedemorgen," zei de bakker, wilt u mijn lekkere taart proeven?

a)

In deze zin moet geen vraagteken.

b)

De aanhalingstekens bij goedemorgen moeten weg.

c)

De komma achter goedemorgen moet weg.

d)

-wilt u mijn lekkere taart proeven?- moet tussen aanhalingstekens.

33.

In de dierentuin zagen wij de volgende dieren paarden, olifanten, leeuwen en tijgers.

a)

De komma's moeten weg.

b)

Achter dierentuin moet een dubbele punt

c)

Achter dieren moet een dubbele punt.

d)

Paarden, olifanten, leeuwen en tijgers moet tussen aanhalingstekens.

34.

Karin zegt: " ik vind, dat je een mooie trui aan hebt."

a)

De punt bij hebt moet achter het aanhalingsteken.

b)

De komma achter vind kan weggelaten worden.

c)

Er moet een uitroepteken achter hebt.

d)

Ik moet met een hoofdletter.

35.

Het (stranden) schip trekt veel aandacht.

(a)  

36.

Het (verwoesten) gebouw staat er verlaten bij.

(a)  

37.

De (vergroten) foto hangt in de hal.

(a)  

38.

Het (besteden) geld wordt geschat op enkele tonnen.

(a)  

39.

Het (ontvreemden) horloge is teruggevonden.

(a)  

40.

Het (redden) dier loopt weer in het bos.

(a)  

41.

De (verrotten) vloer kraakt gevaarlijk.

(a)  

42.

Het onderstreepte zinsdeel is een ...

'Volgens sommigen leveren chatsessies soms onveilige internetverbindingen op.'

a)

MV

b)

BWB

c)

LV

d)

NWD

43.

Het onderstreepte zinsdeel is een ...

'Toen de inbreker de politie zag, nam hij de benen.'

a)

LV

b)

NWD

c)

NWU

d)

ADPV

44.

Het onderstreepte zinsdeel is een ...

'De constructie van zo'n toestel is nochtans erg eenvoudig.'

a)

LV

b)

NWD

c)

NWU

d)

ADPV

45.

Het onderstreepte zinsdeel is een ...

'Waarom verveel je je zo snel?'

a)

O

b)

NWD

c)

ADPV

d)

wed. vn.

46.

Het onderstreepte zinsdeel is een ...

'Na het eindsignaal dansten de spelers van Italië over het veld.'

a)

VZV

b)

BWB

c)

MV

47.

Het onderstreepte zinsdeel is een ...

'Ik heb zin in een lekker ijsje.'

a)

VZV

b)

BWB

c)

MV

48.

Het onderstreepte zinsdeel is een ...

'De weermannen waarschuwden de bewoners voor de gevaarlijke tornado.'

a)

VZV

b)

BWB

c)

MV

49.

Het onderstreepte zinsdeel is een ...

'Op het gras lagen veel donzige veertjes.'

a)

VZV

b)

BWB

c)

MV

50.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Net als zij heeft hij jarenlang in het buitenland gewoond.

a)

Vergelijkend

b)

Toegevend

c)

Oorzakelijk

d)

Opsommend

51.

Welk signaalwoord hoort er bij het opsommend tekstverband?

a)

ook

b)

maar

c)

eerst

d)

doordat

52.
Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband oorzaak-gevolg?
a)
daarmee
b)
daardoor
c)
want
d)
daarom