Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H2 5.1-5.2-5.3-5.8-monohybride kruisingen

Total questions: 28

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

De bruine kleur die je krijgt als je in de zon ligt.

a)

Genotype

b)

Fenotype

2.

Je bloedgroep

a)

Genotype

b)

Fenotype

3.

Wanneer komt het genotype van een baby tot stand?

a)

Bij de vorming van de eicel

b)

Bij de bevruchting

c)

Bij de geboorte

4.

Wanneer ligt het fenotype van een iemand vast?

a)

Bij de vorming van de eicel

b)

Bij de bevruchting

c)

Bij de geboorte

d)

Nooit

5.

Het fenotype wordt bepaald door

a)

Genotype

b)

Milieu

c)

Genotype en milieu

d)

Je keuzes in het leven

6.

Wat zijn chromosomen?

a)

Opgerolde slierten DNA waarop informatie voor erfelijke eigenschappen ligt

b)

Stukjes eiwitten voor de opbouw van weefsels

c)

Stukjes koolhydraten voor de opbouw van spieren

d)

Lekker bij de spaghetti

7.

In welk celorganel kun je chromosomen vinden?

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Cytoplasma

d)

Celmembraan

8.

Welk begrip hoort er op de puntjes?

"Een ... is een stukje DNA dat codeert voor één bepaalde erfelijke eigenschap."

a)

Genotype

b)

Fenotype

c)

Chromosoom

d)

Gen

9.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving?

"Alle genen bij elkaar verzameld."

a)

Genotype

b)

Fenotype

10.

Een mens heeft in totaal 46 chromosomen. Hoeveel daarvan heb je van jouw moeder gekregen bij de bevruchting?

a)

46

b)

43

c)

23

d)

1

11.

Op het plaatje zie je hoe mitose (celdeling) in zijn werk gaat. Zijn de genotypen van de dochtercellen gelijk aan de moedercel of niet?

a)

De genotypen van de dochtercellen zijn gelijk aan die van de moedercel

b)

De genotypen van de dochtercellen zijn verschillend aan die van de moedercel

12.

Giel heeft blond haar en groene ogen. Zijn de genen voor blond haar ook aanwezig in cellen van de ogen van Giel?

a)

Ja, en beide genen in de cellen van de ogen zijn actief.

b)

Ja, maar de genen voor groene ogen zijn daar wel actief en de genen voor blond haar niet.

c)

Nee, want beide genen in de cellen van de ogen zijn niet actief.

d)

Nee, want anders zou de oogkleur anders zijn.

13.

Welk woord hoort bij de volgende omschrijving?

"Alle zichtbare EN onzichtbare eigenschappen van een organisme".

a)

Genotype

b)

Fenotype

14.

Bij bevruchting vindt er samensmelting van de celkernen van de eicel en de zaadcel plaats. Is het genotype van de bevruchte eicel hetzelfde of verschillend als dat van de onbevruchte eicel?

a)

Hetzelfde, want ge genotypen van de eicel en de zaadcel worden gemengd.

b)

Hetzelfde, want de genotypen van de eicel en de zaadcel worden niet gemengd.

c)

Verschillend, want de genotypen van de eicel en de zaadcel worden gemengd.

d)

Verschillend, want de genotypen van de eicel en de zaadcel worden niet gemengd.

15.

Geslachtschromosomen bepalen of je man bent of vrouw. Welke combinatie is juist.

a)

XY = vrouw

b)

XY = man

16.

Twee geslachtscellen hebben samen evenveel chromosomen als één lichaamscel.

a)

Juist

b)

Onjuist

17.

Ratten en mensen zijn zoogdieren. De bouw van een celkern is bij alle zoogdieren in principe gelijk.

Van een bruine rat bevatten bepaalde cellen per kern in totaal 21 verschillende chromosomen.

Zijn deze cellen geslachtscellen of lichaamscellen? Of is dat niet te zeggen?

a)

geslachtscellen

b)

lichaamscellen

c)

dat is niet te zeggen

18.

Bij welk proces treedt bij de meeste dieren meiose op?

a)

bij de bevruchting

b)

bij de vorming van geslachtscellen

c)

bij ongeslachtelijke voortplanting

d)

bij de deling van bijvoorbeeld huidcellen

19.

Een streng DNA heeft de volgende basenvolgorde: ACGTA.

Wat is de volgorde van de basenparen van de tegenoverliggende DNA-streng?

(gebruik hoofdletters en GEEN spaties in je antwoord!)

(a)  

20.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving:

"een plotselinge verandering in het genotype"

a)

Allel

b)

Mutatie

c)

Gen

d)

Heterozygoot

21.

Chemische stoffen, straling en virussen zijn allemaal voorbeelden van ... invloeden. Ze kunnen mutaties in jouw genotype veroorzaken. Welk woord hoort op de puntjes?

a)

Mutationele

b)

Mutagene

c)

Mutatie

d)

genetische

22.

Iemand die twee keer hetzelfde allel heeft voor een erfelijke eigenschap is:

a)

Homozygoot

b)

Heterozygoot

c)

Dominant

d)

Recessief

23.

Bij iemand die heterozygoot is voor een bepaalde eigenschap komt altijd het ... allel tot uiting. Welk woord hoort op de puntjes?

a)

Homozygote

b)

Dominante

c)

Recessieve

d)

Heterozygote

24.

Iemand is homozygoot recessief voor een gen dat wordt gecodeerd met de letter A. Hoe wordt dat opgeschreven?

a)

AA

b)

Aa

c)

aa

25.

Iemand is heterozygoot voor een bepaalde eigenschap die wordt gecodeerd met de letter B. Hoe schrijf je dit op?

a)

BB

b)

Bb

c)

bb

26.

Door bevruchting kunnen nieuwe genotypen ontstaan

a)

Juist

b)

Onjuist

27.

Door bevruchting kunnen nieuwe fenotypen ontstaan.

a)

Juist

b)

Onjuist

28.

Wat zijn voorbeelden van mutagene invloeden? Meerdere antwoorden goed!

a)

Straling

b)

Virus

c)

Chemische stoffen

d)

Bacterie