wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Paragraaf 4.3 check 4 havo

Total questions: 13

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Welke omschrijving past het beste bij het begrip staatsvorming?

a)

Centrale bestuursraden, ingesteld door Karel V ter bevordering van de centralisatie van de Nederlanden.

b)

Het streven van vorsten om hun losse gebieden bijeen te brengen binnen één land met een centraal bestuur.

c)

Het streven van vorsten naar het vestigen van één centraal bestuur met dezelfde wetten en regels.

d)

Het streven van de gewesten en steden in de Nederlanden om hun zelfstandigheid te behouden.

2.

Welk begrip past bij de volgende omschrijving.

Het streven van vorsten hun macht te vergroten door de verschillende delen van hun rijk vanuit één plaats te besturen.

(a)  

3.

Staatsvorming vond vooral plaats in de ....

a)

Vroege middeleeuwen

b)

Late middeleeuwen

4.

Wat willen de vorsten? Kies de goede antwoorden (dit kunnen er meer zijn dan één).

a)

Overal dezelfde wetten

b)

Overal hetzelfde geloof

c)

Overal dezelfde taal

d)

Verschillende belastingen per gebied. Gebieden die steun verleenden hoefden zo minder te betalen.

e)

De steden hun privileges laten behouden voor extra inkomsten

5.

Het huidige Nederland maakt tot 1482 onderdeel uit van het .....

a)

Duitse Rijk

b)

Bourgondische Rijk

c)

Spaanse Rijk

d)

Franse Rijk

6.

Frankrijk had .......... centralisatiepolitiek

a)

Wel

b)

Geen

7.
Question Image

Plaats het begrip bij de juiste beschrijving

a)

Soevereiniteit

1.

Streven van vorsten om het gebied vanuit hetzelfde punt te besturen

b)

Centralisatie

2.

De hoogste macht in een gebied/land

c)

Monarchie

3.

Koninkrijk

d)

Parlement

4.

Bestuurt samen met de koning/regering het land of geeft advies

e)

Onafhankelijk

5.

Niet afhankelijk van een andere staat/land/regering

8.

(a)   kan gezien worden als de eerste Nederlandse vorst die het Bourgondische Rijk regeert, waar de meeste Nederlandse gewesten deel van zijn

9.

1. In Engeland wordt de macht van de koning beperkt door de adel

2. In Frankrijk is de koning over alle gebieden de soevereine heerser

a)

Alleen 1 is juist

b)

Alleen 2 is juist

c)

1 en 2 zijn juist

d)

1 en 2 zijn onjuist

10.

Check 2.4:

Wat is een oorzaak van het einde van het Romeinse Rijk?

a)

Het werd steeds moeilijker om de grenzen te bewaken tegen de Germaanse stammen.

b)

Het Romeinse bestuur raakte instabiel. Binnen 50 jaar tijd werden er 25 Romeinse keizers vermoord.

c)

Al deze opties zijn juist

d)

Er braken dodelijke epidemieën uit waardoor het inwoneraantal afnam.

11.

Check 3.1:

Waar of niet waar: Het Jodendom, Christendom en Islam zijn allemaal polytheïstische godsdiensten

a)

Waar

b)

Niet waar

12.

Check 4.1:

Wat is een Hanze?

a)

Samenwerkingsverband van handelaren en steden

b)

Samenwerkingsverband van een groep geestelijken binnen het Christendom

c)

Een militair verbond tussen Duitse en Hollandse adel

d)

Een samenwerkingsverband tussen verschillende dienstsectoren binnen een stad

13.

Check door de tijd heen:

Zet de tijdvakken in de juiste chronologische volgorde

a)

Tijd van Steden en Staten

b)

Tijd van Monniken en Ridders

c)

Tijd van Grieken en Romeinen

d)

Tijd van Jagers en Boeren

1)
2)
3)
4)