wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

werkwoordspelling ( instaptoets)

Total questions: 15

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

tegenwoordige tijd

( raden) Ik ____ u af om deze crème te gebruiken.

a)

raad

b)

raadt

c)

raat

2.

verleden tijd

( zakken) Door de mist ____ het kapsel uit model.

a)

zakt

b)

zakte

c)

zaktte

d)

gezakt

3.

Verleden tijd

( kosten) Die nieuwe spiegels _____ ons veel geld.

a)

kost

b)

koste

c)

kostte

d)

gekost

4.

tegenwoordige tijd

( behandelen) Dat komt doordat je het haar verkeerd ____.

a)

behandelt

b)

behandeld

c)

behandeldt

5.

voltooide tijd

( openen) Morgen wordt de nieuwe salon ____.

a)

geopent

b)

geopend

6.

tegenwoordige tijd

( landen) ____ je vliegtuig om 9 uur op Schiphol?

a)

lant

b)

land

c)

landt

7.

voltooide tijd

( informeren) Heb je al naar de mogelijkheden ____?

a)

geïnformeert

b)

geïnformeerd

8.

verleden tijd

( branden) Ik ____ mijn vinger aan de krultang.

a)

brande

b)

brandde

c)

branden

d)

brandden

9.

tegenwoordige tijd

( betalen) Mijn man ____ morgen rekening wel.

a)

betaalt

b)

betaald

c)

betaaldt

10.

verleden tijd

( adviseren) Diverse kappers ____ mij het haar kort te knippen.

a)

adviseerde

b)

adviseerden

c)

adviseerdde

d)

adviseerdden

11.

tegenwoordige tijd

( onthouden) Ik hoop dat Miriam dat allemaal ____.

a)

onthout

b)

onthoud

c)

onthoudt

12.

verleden tijd

( voorbereiden) Marja ____ de klant voor op een kleurbehandeling.

a)

bereide

b)

bereiden

c)

bereidde

d)

bereidden

13.

voltooide tijd

( krabben) Je hebt teveel aan die rode plek ____.

a)

gekrabt

b)

gekrabd

c)

gekrabdt

14.

verleden tijd

( lusten) Vroeger ____ hij geen bruin brood.

a)

luste

b)

lusten

c)

lustte

d)

lustten

15.

voltooide tijd

( afstoffen) Je bent klaar als je de verkoopplanken hebt ____.

a)

afgestoft

b)

afgestofd

c)

afgestofdt