Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Th 1 Inleiding in de biologie_4HV

Total questions: 46

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.
Wat is een voorbeeld van een populatie?
a)
Alle konijnen op Schiermonnikoog
b)
De beplanting in een naaldbos
c)
Alle organismen in een vijver
d)
Een leeuwin met twee welpen op de savanne
2.
Iemand die onderzoek doet naar fossielen is bezig onderzoek te doen op het grensgebied van biologie en geologie. Hoe noemt men dit grensgebied?
a)
Biofysica
b)
Paleontologie
c)
Biochemie
d)
Aardbiologie
3.

Wanneer je een skelet van een kip bestudeert ben je bezig op het niveau van een.,,,

a)

Weefsel

b)

Orgaan

c)

Orgaanstelsel

d)

Organisme

4.
Heeft een bacterie een celkern?
a)
Ja
b)
Nee
5.
Een zoute haring uit een viswinkel is
a)
Levenloos
b)
Dood
c)
Levend
6.

Wanneer de bloedsomloop stilvalt, kan het hart door een verpleegkundige worden gereanimeerd. Een menselijk hart bestaat uit verschillende weefsels. Hieronder staan twee eigenschappen van een menselijk hart:

  1. - Het hart pompt bloed rond
  2. - Het hart bestaat uit cellen

Welke van deze eigenschappen is een emergente eigenschap op het niveau orgaan?

a)

Geen van beide eigenschappen

b)

Alleen eigenschap 1

c)

Alleen eigenschap 2

d)

Beide eigenschappen

7.
Welk onderdeel heeft een dierlijke cel niet?
a)
Kern
b)
Celmembraan
c)
Celwand
d)
Cytoplasma
8.
Wat is de juiste volgorde van groot naar klein?
a)
Organenstelsel - Organisme - Weefsel - Cellen
b)
Organisme - Organenstelsel - Weefsel - Cellen
c)
Organisme - Organenstelsel - Organen - Weefsel - Cellen
d)
Organenstelsel- Organisme - Organen
9.
Als ik kijk door een oculair van 10x en een objectief van 20x, dan heb ik een totale vergroting van 10 x 20 = 200x.
a)
Juist
b)
Onjuist
10.

Een groep organen die samen een bepaalde functie hebben is een ......

a)

Cel

b)

Weefsel

c)

Orgaan

d)

Organenstelsel

e)

Organisme

11.

De stevigheid van dierlijke cellen ontstaat door stevige celwanden. Juist of onjuist?

a)

Juist

b)

Onjuist

12.
Manfred onderzoekt en benoemt alle waterdiertjes in de vijver om hier vervolgens een voedselweb van te maken.
Is dit een beschrijvend of een hypothesetoetsend onderzoek?
a)
Beschrijvend
b)
Hypothesetoetsend
13.
Tijdens een snelheidscontrole vergeet agent Karel zijn meetapparatuur te ijken, waardoor elke automobilist telkens 5% sneller blijkt te rijden.
Is dit onderzoek niet betrouwbaar of niet valide?
a)
Niet betrouwbaar
b)
Niet valide
14.
Een wetenschapper wil de invloed van aspirine op de bloeddruk bepalen. Hij beschikt over twee gelijke groepen proefpersonen. De proefpersonen van de ene groep krijgen een asparinetabletje (opgelost in een glas water) waarna ze de oplossing moeten opdrinken.
Wat moet de controlegroep toegediend krijgen?
a)
Niks
b)
Een glas water
c)
Een glaswater met opgelost een vergelijkbaar tabletje
d)
Een vergelijkbaar tabletje zonder asparine
15.

Wat is de functie van nummer 4?

a)

Het verplaatsen van de tafel.

b)

Het bijstellen van het licht.

c)

Het scherp zetten van het beeld

d)

Het draaien van de objectieven.

16.
Welk organenstelsel is hier afgebeeld?
a)
bloedvatenstelsel
b)
zenuwstelsel
c)
spierenstelsel
d)
verteringsstelsel 
17.
Hoe heet onderdeel 8
a)
oculair
b)
objectief
c)
revolver
18.

Wat wordt hier afgebeeld?

a)

ER

b)

Golgi complex

c)

Chloroplast

d)

Centrosoom

19.

Een leerling bestudeert met zijn microscoop cellen van een rok van een ui in een druppel gedestilleerd water. Daarna wil hij intacte rode bloedcellen bestuderen. Hij moet de rode bloedcellen in een druppel van een zoutoplossing met een bepaalde concentratie leggen en niet in een druppel gedestilleerd water. Waarom is dit verschil in behandeling nodig?

a)

Omdat cellen van een ui geen celmembraan hebben en rode bloedcellen wel

b)

omdat de osmotische waarde van de cellen van een ui hoger is dan die van rode bloedcellen

c)

omdat rode bloedcellen in gedestilleerd water opzwellen en vervolgens knappen en cellen van een ui niet

d)

omdat rode bloedcellen in gedestilleerd water een te grote hoeveelheid zouten door e celmembraan naar buiten laten gaan en cellen van een ui niet

20.

Uit een aardappel worden enkele staafjes gesneden. De staafjes zijn even lang en even dik. Ze worden in verschillende suikeroplossingen gelegd. Een dag later wordt de lengte van de staafjes gemeten. Het resultaat hiervan is weergegeven in het diagram van de afbeelding. Ook de lengte van de staafjes voor de proef is in het diagram weergegeven. Bij welke van de in het diagram aangegeven suikerconcentraties is de turgor van de aardappelcellen het hoogst?

a)

Bij concentratie P

b)

Bij concentratie Q

c)

Bij concentratie R

d)

Bij concentratie S

21.

Wanneer Joris verlepte sla in water legt, merkt hij dat de sla opnieuw fris en knapperig wordt. Verklaar zijn waarneming.

a)

De cellen van de sla nemen water op door actief transport.

b)

De cellen van de sla nemen zout op door diffusie

c)

De cellen van de sla nemen water op door osmose

d)

De cellen van de sla geven water af door osmose

22.

Tijdens een experiment wordt een dialyseslang ( = semi-permeabel membraan) gevuld met een waterige oplossing die 3% zetmeel en 3% glucose bevat. Daarna wordt deze in een beker met gedemineraliseerd water gelegd (zie afbeelding). Na 3 uur wordt er een waarneming gedaan. Welke uitspraak past bij deze waarneming?

a)

Zetmeel moleculen verplaatsen zich doorheen de dialyseslang naar de beker.

b)

De concentratie aan zetmeel en glucose is gelijk, zowel in de dialyseslang als in de beker.

c)

Water verplaatst zich via osmose van de beker doorheen de dialyseslang.

d)

Water verplaatst zich via diffusie doorheen de dialyseslang naar de beker.

23.

In de afbeelding zie je een merel die uit het ei komt, opgroeit, volwassen wordt (de zwarte merel), zich voortplant en doodgaat.

Als in deze afbeelding steeds dezelfde merel is afgebeeld, wat is dan op al deze plaatjes bij elkaar van deze ene merel getekend?

a)

De levensloop van deze merel.

b)

De levenscyclus van deze merel.

c)

De ontwikkeling van deze merel.

24.

In de afbeelding zie je tekeningen van merels met pijlen die steeds ronddraaien.

Wat wordt hiermee bedoeld?


Hiermee wordt de (a)   van een merel bedoeld.

25.

Wat is het verschil tussen het ruw ER en het glad ER?

a)

Er is geen verschil tussen beiden

b)

Plantaardige cellen hebben een ruw ER, dierlijke cellen hebben een glad ER.

c)

Het glad ER maakt eiwitten aan, het ruw ER verpakt ze in blaasjes

d)

Op de buitenkant van het ruw ER zitten ribosomen, op het glad ER niet.

26.

Wat zijn de twee belangrijkste verschillen tussen een plantaardige cel en een dierlijke cel?

a)

Plantaardige cellen hebben een celwand en chloroplasten, terwijl dierlijke cellen dat niet hebben.

b)

Plantaardige cellen hebben een celkern en een grote vacuole, terwijl dierlijke cellen dat niet hebben.

c)

Plantaardige cellen hebben geen mitochondriën en cytoplasma, terwijl dierlijke cellen dat wel hebben.

d)

Er zijn geen verschillen tussen beiden.

27.

Benoem het celorganel met nummer 5

a)

Kernlichaam

b)

Nucleus

c)

Kernplasma met chromatineblaadjes

d)

Nucleolus

28.

Benoem het celorganel met nummer 4

a)

Golgi complex

b)

Vacuole

c)

Mitochondrie

d)

ER

29.

Benoem het celorganel met nummer 7

a)

Golgi complex

b)

Mitochondrie

c)

Chloroplast

d)

Nucleus

30.

Deze afbeelding is een voorbeeld van _____.

a)

actief transport

b)

passief transport

c)

diffusie

d)

osmose

31.

juist of fout: De snelheid van diffusie en van osmose zal toenemen als de temperatuur verhoogt wordt.

a)

juist, omdat alle moleculen sneller gaan bewegen door toenemende temperatuur

b)

fout, omdat dit enkel geldt voor diffusie

c)

fout, omdat het bij osmose omgekeerd is

d)

juist, omdat bij diffusie en osmose dezelfde stoffen getransporteerd worden.

32.

Diffusie gaat net zolang door totdat ...

a)

er een homogeen mengsel bekomen wordt

b)

het mengsel heterogeen is

c)

de druk in en uit de cel gelijk is

d)

de cel vol is

33.

Welk organel zorgt in de cel voor de productie van eiwitten?

a)

ribosoom

b)

mitochondrium

c)

golgi systeem

d)

lysosoom

34.

Welk organel zorgt in de cel voor de energievoorziening?

a)

ribosoom

b)

mitochondrium

c)

endoplasmatisch reticulum

d)

golgi systeem

35.

In het cytoplasma van een zenuwcel is de kalium concentratie (K+ ionen) veel hoger dan buiten de cel. Welk manier van transport maakt dit mogelijk?

a)

diffusie

b)

actief transport

c)

passief transport

d)

osmose

36.

Tot welk organisatieniveau behoort een rode bloedcel?

a)

orgaan

b)

cel

c)

weefsel

d)

organel

37.

Tot welk organisatieniveau behoort DNA?

a)

orgaan

b)

cel

c)

organel

d)

molecuul

38.

Een bepaalde plantencel heeft turgor die maximaal is. Hij verandert niet meer van grootte.

Is de osmotische waarde buiten de cel groter dan, kleiner dan of gelijk aan de osmotische waarde in de cel?

a)

groter

b)

kleiner

c)

gelijk

39.

Onder de electronenmicroscoop ziet een analist cellen die opvallend veel mitochondrien bevatten. Welk type cellen zou dit kunnen zijn?

a)

spiercellen

b)

speekselklier cellen

c)

darmcellen

d)

huidcellen

40.

Sabrina doet een onderzoek over de invloed van de zuurgraad van de bodem op het ontkiemen van tuinkerszaden.


Dit onderzoek kan men in vijf stappen delen. In willekeurige volgorde zijn deze stappen:


1) Sabrina verwacht dat zaden van tuinkers bij een lagere en hogere Ph slechter zullen ontkiemen dan bij een neutrale pH.

2) Sabrina laat 20 zaadjes van tuinkers ontkiemen bij pH 6 en 25 zaadjes bij pH 7 en 25 zaadjes bij pH 8.

3) Sabrina stelt vast dat bij pH 8 maar 4 zaadjes van tuinkers ontkiemen, bij pH 6 maar 8 en bij pH 7 zijn dat er 22.

4) Sabrina leest in een boek dat voor het ontkiemen van zaden de pH neutraal moet zijn.

5) Sabrina vraagt zich af of bij een lagere en hogere zuurgraad minder zaadjes van tuinkers ontkiemen dan bij een neutrale pH.

6) Sabrina concludeert dat pH 7 inderdaad de ideale zuurgraad is voor de ontkieming van tuinkers.


Welke stap is de hypothese?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

5

41.

Wat is het hoofdbestanddeel van onderdeel 7?

a)

koolhydraten

b)

eiwitten

c)

fosfolipiden

d)

cellulose

42.

O2 verplaatst zich van de longen naar het bloed bij een inademing. Het transport verloopt via diffusie. Dit is een vorm van...

a)

passief transport, het kost ATP

b)

passief transport, het kost GEEN ATP

c)

actief transport, het kost ATP

d)

actief transport, het kost geen ATP

43.

In de afbeelding zie je een ader (blauw) langs de nierbuis afstromen (geel). De wanden van deze vaten zijn semi-permeabel. Alleen water kan erdoor. Welke pijl is de juiste weergave van de richting waarin de waterdeeltjes zich verplaatsen door osmose?

a)

Pijl A

b)

Pijl B

44.

Wat is de functie van het golgi systeem?

a)

Vervoer van eiwitten naar buiten de cel door middel van exocytose

b)

aanmaak eiwitten

c)

vervoer van stoffen in een cel door middel van endocytose

d)

vervoer van stoffen in een cel door middel van endocytose naar de ER

45.

De grote rafelvis leeft op met zeewier begroeide riffen en in kelpwouden. Een kelpwoud is een wereldwijd voorkomend ecosysteem onder de zeespiegels. Bij gevaar verstopt het dier zich tussen het zeewier.


Welk verband tussen de vorm en de functie van de grote rafelvis is juist?

a)

De uitsteeksels die lijken op zeewier zien andere dieren de grote rafelvis niet zo snel aankomen

b)

De uitsteeksels die lijken op zeewier heeft de grote rafelvis een stroomlijnvorm en kan hij snel zwemmen

c)

De uitsteeksels die lijken op zeewier is de rafelvis goed gecamoufleerd als de vis zich tussen het zeewier bevindt.

46.

Een plantencel wordt 24 uur in gedestilleerd water gelegd. De osmotische waarde van het vacuole-vocht komt daarna overeen met die van een 0,8% NaCl-oplossing. Vervolgens wordt deze cel overgebracht naar een oplossing die 0,8% NaCl bevat.

Enkele minuten later worden de turgor en de osmotische waarde gemeten.


Zijn de osmotische waarde en de turgor veranderd nadat de cel naar de 0.8% NaCl oplossing is overgebracht?

a)

De osmotische waarde is toegenomen, de turgor is afgenomen

b)

De osmotische waarde is afgenomen, de turgor is toegenomen

c)

De osmotische waarde is gelijk gebleven, de turgor is gelijk gebleven

d)

De osmotische waarde is gelijk gebleven, de turgor is afgenomen

e)

De osmotische waarde is toegenomen, de turgor is gelijk gebleven