wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ha4 H2 Wereldbeeld 1-6

Total questions: 60

Worksheet time: 59mins

Name
Class
Date
1.

Het niet kunnen lezen en schrijven.

(a)  

2.

Dat deel van de bevolking dat tegen betaling een beroep uitoefent plus de werklozen.

(a)  

3.

De waarde van alle goederen en diensten die door binnen- en buitenlandse ondernemingen en personen in een land in een jaar worden geproduceerd gedeeld door het aantal inwoners.

(a)  

4.

Het gemiddeld inkomen per hoofd binnen een regio.

(a)  

5.

De hoeveelheid goederen of diensten die je in een land voor een dollar kunt kopen.

(a)  

6.

Het verwachte, gemiddeld aantal levensjaren vanaf de geboorte.

(a)  

7.

Verschillen in welvaart en welzijn tussen gebieden.

(a)  

8.

Verschillen in welvaart en ontwikkelingskansen tussen de verschillende groepen van de bevolking

(a)  

9.

De levensomstandigheden in een land of gebied gemeten naar koopkracht, mate van analfabetisme en levensverwachting.

(a)  

10.

Migrant die verhuist naar een ander gebied of plaats om daar te gaan werken.

(a)  

11.

Gemiddeld aantal inwoners per vierkante kilometer.

(a)  

12.

De manier waarop de bevolking over een gebied is verdeeld.

(a)  

13.

Reden om je in een gebied te vestigen.

(a)  

14.

Reden om uit een gebied te vertrekken.

(a)  

15.

Een kenmerk waaraan je een cultuur kunt herkennen, bijvoorbeeld taal, godsdienst en gewoonten.

(a)  

16.

Gebied waarin culturen voorkomen die sterk op elkaar lijken.

(a)  

17.

De verspreiding van een ruimtelijk verschijnsel vanuit een kerngebied.

(a)  

18.

Een indeling van de wereld naar ontwikkelingsgraad

(a)  

19.

Een model dat de ongelijke relatie laat zien tussen het centrum en de periferie; dit is zowel binnen een land als tussen landen zichtbaar.

(a)  

20.

De verdeling van de beroepsbevolking in de verschillende delen van de wereld.

(a)  

21.

De indeling van de wereld naar welvaart in centrum, semiperiferie en periferie.

(a)  

22.

Toename van de bevolking in een bepaalde periode.

(a)  

23.

Een model dat de gefaseerde overgang laat zien van een hoog geboorte- en sterftecijfer naar een laag geboorte- en sterftecijfer.

(a)  

24.

De verhouding tussen het aantal personen van 65 jaar en ouder en het aantal personen tussen de 20 en 65 jaar.

(a)  

25.

De verhouding tussen het aantal personen onder 20 en het aantal personen tussen 20 en 65 jaar.

(a)  

26.

De verdeling van de bevolking over de verschillende leeftijdsklassen weergegeven in een leeftijdsdiagram.

(a)  

27.

Groei van de stedelijke bevolking ten opzichte van de plattelandsbevolking.

(a)  

28.

Het aandeel van de bevolking dat in steden woont.

(a)  

29.

De snelheid waarmee de verstedelijkingsgraad in een land per jaar stijgt.

(a)  

30.

Stad zoals New York of Londen, die op wereldniveau een belangrijk knooppunt in economische, culturele en politieke netwerken vormt.

(a)  

31.

Migratie die het gevolg is van eerdere migratie, bijvoorbeeld als na de eerste migranten later ook familieleden overkomen.

(a)  

32.

Welk begrip speelt géén rol in de bepaling van de welzijnsindex?

a)

de alfabetiseringsgraad

b)

de koopkracht

c)

de levensverwachting

d)

de voedselsituatie

33.

Juist of onjuist: De motor achter arbeidsmigratie is het verschil in welvaart.

a)

Juist

b)

Onjuist

34.

Elke dag worden er 365 000 baby’s geboren, waarvan 57 procent in Azië. Dat komt doordat Azië ...

a)

een hoge natuurlijke groei heeft.

b)

een hoog geboortecijfer en een grote bevolking heeft.

c)

een hoog geboortecijfer heeft.

d)

een omvangrijke bevolking heeft.

35.

De verschillen in welvaart aan beide kanten van de Mexicaans-Amerikaanse grens zijn groot. Welke twee economische maatstaven kun je gebruiken om die verschillen te meten?

a)

de alfabetiseringsgraad

b)

de levensverwachting

c)

de prijzen van goederen

d)

de verdeling van de beroepsbevolking

e)

het bbp per hoofd

36.

Welke drie uitspaken zijn juist?

a)

De suburbanisatie in de westerse landen is over haar hoogtepunt heen.

b)

Het aantal kinderen per vrouw is in arme landen in de stad hoger dan op het platteland.

c)

Het verstedelijktempo is het hoogst in Afrika.

d)

Het verschil in verstedelijkingsgraad tussen arme en rijke landen wordt steeds groter.

e)

Wereldsteden vind je vooral in de westerse landen.

37.

Elke dag worden er 365 000 baby’s geboren, waarvan 57 procent in Azië. Dat komt doordat Azië ...

a)

een hoge natuurlijke groei heeft.

b)

een hoog geboortecijfer en een grote bevolking heeft.

c)

een hoog geboortecijfer heeft.

d)

een omvangrijke bevolking heeft.

38.

Wat is de handelsbalans?

a)

Verhouding import- exportwaarde

b)

Verhouding schulden en inkomsten bedrijfsleven.

c)

Verhouding spaargeld- en bestedingen

39.

Wat laat het demografisch transitiemodel zien?

a)

Transitie van een laag naar een hoog geboortecijfer.

b)

Transitie van een grote naar een kleine bevolkingsomvang.

c)

Transitie van een hoog naar een laag geboortecijfer.

d)

Transitie van een laag naar een hoog sterftecijfer

40.

Wat is het belangrijkste exportproduct van perifere landen?

a)

Eindproducten

b)

Halffabrikaten

c)

Grondstoffen

d)

Diensten

41.

Het urbanisatietempo is het hoogst in een

a)

centrumland

b)

periferieland

42.

Waarom willen bedrijven uit centrumlanden zich graag in semiperifere landen vestigen?

a)

Daar groeit de afzetmarkt

b)

Ze hebben een gunstige relatieve ligging

c)

Er is een kennisintensieve arbeidsmarkt

d)

Daar zijn de loonkosten lager

e)

Ze beschikken over veel grondstoffen

43.

Welke begrippen passen bij de foto?

a)

Arbeidsintensief

b)

Grondstof

c)

Kapitaalintensief

d)

Lagelonenland

e)

Tertaire sector

44.

Welke drie ontwikkelingskenmerken passen bij een ontwikkeld land als de VS?

a)

Hoog bnp per inwonder

b)

Hoge koopkracht

c)

Groot aandeel bevolking werkzaam in de landbouw

d)

Laag percentage analfabeten

e)

Lage levensverwachting

45.

Welke woorden moet je invullen bij de cijfers 1 t/m 4?

Als een gebied veel [1] heeft, zal dat leiden tot [2]. Een voorbeeld van zo’n gebied is Afghanistan. Als een gebied veel [3] heeft, zal dat leiden tot [4]. Een voorbeeld van zo’n gebied is Nederland.

a)

1= pullfactor / 2 = emigratie/ 3= pushfactor/ 4 = immigratie

b)

1= pushfactor / 2 = emigratie/ 3= pullfactor/ 4 = immigratie

c)

1= pullfactor / 2 = immigratie/ 3= pushfactor/ 4 = emigratie

d)

1=pushfactor / 2 = immigratie/ 3= pullfactor/ 4 = emigratie

46.

Wat is een juist voorbeeld van economische migratie

a)

De kinderen van een gezin uit Belize voegen zich bij hun ouders in Mexico

b)

Een gezin uit El salvador migreert naar de VS, omdat ze zich in hun thuisland niet meer veilig voelen

c)

Een man uit Guatemala migreert naar de VS, omdat hij daar meer kan verdienen in de bouw

d)

Een vrouw uit Mexico migreert naar Canada om bij haar man te gaan wonen

47.

Welke zin gaat niet over de informele sector?

a)

Er is neit bekend hoeveel mensen erin werken, wat ze doen en hoeveel ze verdienen

b)

HEt gaat meestal om geschoold, goedbetaald werk

c)

In rijke landen is de informele sector kleiner dan die in arme landen

d)

De informele sector wordt ook de vluchtsector genoemd

48.

Welk voorbeeld past bij het begrip kettingmigratie?

a)

Karlita keert definitief terug naar Panama na jarenlang in de VS te hebben gewoond

b)

Juan werkt ieddere zomer voor een boer in California, en iedere winteer voor een kledingfabriek in Mexico

c)

Simon migreert van Canada naar Mexico nadat hij met een Mexicaanse getrouwd is

d)

Miguel emigreert naar de VS, omdat hij daar een baan krijft in de winkel van zijn broer

49.

Welke pullfactor voor migranten om juist in deze wijk in New York te gaan wonen zie je in de afbeelding?

a)

Hier is veel werkgelegenheid voor migranten

b)

De huizenprijzen zijn laag

c)

Er zijn veel voorzieningen voor migranten

d)

Hier zullen door veel culturen op straat veel etnische spanningen voorkomen

50.

Wat is doorgaans de belangrijkste reden voor Mexicanen om naar de VS te migreren?

a)

Vluchten van oorlogsgeweld

b)

Gezinshereniging

c)

Vluchten voor natuurgeweld

d)

Werk zoeken

51.

Wat is het verschil tussen BNP en het BBP?

a)

BNP neemt spaargelden uit het buitenland mee

b)

BNP neemt schulden in het buitenland mee

c)

BNP neemt inflatiecorrectie mee

d)

BNP neemt inkomsten uit het buitenland mee

52.

Bij welke indicator is de levensverwachting een van de meetinstrumenten?

(a)  

53.

Welk begrip past bij de afbeelding?

a)

regionale ongelijkheid

b)

sociale ongelijkheid

c)

koopkracht

d)

bruto regionaal product

54.

Welk begrip pas het beste bij deze bron?

a)

demografische druk

b)

demografisch transitiemodel

c)

vruchtbaarheidscijfer

d)

leeftijdsopbouw

55.

Welk diagram past bij een welvarend land?

a)

bovenste

b)

middelste

c)

onderste

56.

Gemiddeld aantal levendgeboren kinderen dat een vrouw in haar leven krijgt.

(a)  

57.

De verdeling van de bevolking over de verschillende leeftijdsklassen of cohorten.

(a)  

58.

Het aantal kinderen per 1000 levendgeborenen dat voor de vijfde verjaardag overlijdt.

(a)  

59.

Het niet-actieve deel van de bevolking (<19 en >65) uitgedrukt als percentage van de actieve (werkende) bevolking.

(a)  

60.

Welk werelddeel gaat relatief gezien het meeste krimpen?

a)

europa

b)

azie

c)

latijns-amerika

d)

noord-amerika