wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Elektriciteit en Energie

Total questions: 18

Worksheet time: 35mins

Name
Class
Date
1.

De eenheid van spanning is:

a)

Ampère

b)

Volt

c)

Ohm

d)

Watt

2.

De eenheid van stroomsterkte is:

a)

Ampère

b)

Volt

c)

Watt

d)

Ohm

3.
De spanning die een stopcontact in je huis geeft is....
a)
12 V
b)
24 V
c)
110 V
d)
230 V
4.

Hoeveel joule is 1 kWh? (gebruik in je antwoord geen punten of komma`s anders rekent die de vraag fout)

(a)  

5.

Door een weerstand vloeit een stroom van 3 A en staat er een spanning over van 6 V. Wat is het vermogen van deze weerstand?

(a)  

6.

Wat voor schakeling is dit?

a)

Serieschakeling

b)

Parallelschakeling

c)

Combischakeling

7.

I1= 3A, Ut= 5V. Wat is Rv? (Rond af op 2 decimalen)

(a)  

8.

Wat voor polen heeft een magneet?

(a)  

9.

Als elektriciteit en magetisme bij elkaar hangen noemen we dat.....

a)

Elektromagneet

b)

Bewegende lading

c)

Elektromagnetisme

d)

Spoel

10.

R1 = 10 Ω , R2= 20 Ω en R3 = 30 Ω. Wat is Rv? (Rond af op twee decimalen)

(a)  

11.

Een wasmachine met een vermogen van 2,5 kW doet er 2,0 uur over de was.

Vraag: Bereken hoeveel kilowattuur de wasmachine in die tijd gebruikt.

(a)  

12.

Een wasmachine met een vermogen van 2,5 kW doet er 2,0 uur over de was.

Vraag: Bereken hoeveel joule de wasmachine in die tijd heeft gebruikt. (Gebruik in je antwoord geen komma`s op punten)

(a)  

13.

R1 = 12 Ω , R2= 23 Ω en I2= 0,886 A. Wat is I1? (Rond af op twee decimalen)

(a)  

14.

R3= 250 Ω, R2= 550 Ω, R1= 1 kΩ en Ut= 120 mV Wat is I1? (Rond af op 2 decimalen)

(a)  

15.

Rv = 0,30 kΩ, R1= 12 Ω, U2 = 650 mV en I2 = 0,14 A

Wat is R3? (Rond af op twee decimalen)

(a)  

16.

Voor een parallelschakeling geldt: De spanning is ____________ en de stoomsterkte is _______________.

a)

gelijk en gelijk

b)

verdeeld en verdeeld

c)

gelijk en verdeeld

d)

verdeeld en gelijk

17.

Voor een serieschakeling geldt: De spanning is ___________ en de stroomsterkte is_________________.

a)

gelijk en gelijk

b)

verdeeld en verdeeld

c)

gelijk en verdeeld

d)

verdeeld en gelijk

18.

Het vermogen is de energie die een apparaat .........

a)

per seconde verbruikt

b)

nodig heeft

c)

per minuut verbruikt

d)

oplevert