wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling

Total questions: 17

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Een oplossing is:

a)

Een helder mengsel waar vaste stoffen, vloeistoffen of gassen in een vloeistof opgelost zijn.

b)

Een helder mengsel waar een vloeistof in een andere vloeistof opgelost is

c)

Een troebel mengsel waar een vaste stof in een vloeistof is opgelost

2.

Een emulsie is:

a)

Een troebel mengsel van een vaste stof die in een vloeistof is opgelost

b)

Een helder mengsel van een vloeistof die in een andere vloeistof is opgelost

c)

Een troebel mengsel van 2 of meer vloeistoffen die niet goed met elkaar mengen

d)

Een helder mengsel van een vaste stof die opgelost is in een vloeistof

3.

Op het plaatje zie je een:

a)

Oplossing

b)

Suspensie

c)

Emulsie

4.

Een emulgator zorgt dat:

a)

2 of meer vloeistoffen goed met elkaar kunnen mengen

b)

2 of meer vloeistoffen uit elkaar gaan

c)

Een vaste stof kan oplossen in een vloeistof

5.

Als je oplossing met pH 2 verdunt met water, dan

a)

Zal de pH omhoog gaan

b)

Zal de pH omlaag gaan

c)

Zal de pH gelijk blijven

6.

Als je een oplossing met pH 7 verdunt met water, dan

a)

Zal de pH omhoog gaan

b)

Zal de pH omlaag gaan

c)

Zal de pH gelijk blijven

7.

Als je een oplossing met pH 12 verdunt met water dan zal de pH:

a)

Omhoog gaan

b)

Omlaag gaan

c)

Gelijk blijven

8.

Op de afbeelding zijn we het smelt- en kookpunt van:

a)

een zuivere stof

b)

een mengsel

9.

Hoeveel m3m^3 is 2,5 L?

a)

2,5 m3m^3  

b)

0,25 m3m^3  

c)

0,025 m3m^3  

d)

0,0025 m3m^3  

10.

Een suikerklontje heeft een massa van 0,004 kg en een volume van 0,0025 L. Wat is de dichtheid ( kg / m3m^3 ) van het suikerklontje? dichtheid= massa÷volumemassa\div volume  

a)

1,0×105 kg1,0\times10^5\ kg / m3m^3  

b)

1,6×1031,6\times10^3  kg / m3m^3

c)

1,6 kg / m3m^3  

11.

Een glas water heeft een volume van 0,25L en het water in het glas heeft een massa van 0,25kg. Wat is de dichtheid (kg/ m3m^3  ) van water? dichtheid= massa÷volumemassa\div volume  

a)

1,0kg/m3

b)

0,00625kg/m3

c)

1,0 ×103\times10^3 kg/m3

12.

Hoeveel Kelvin (K) is 78 graden Celsius? (Tip, 0 graden Celsius= 273 K)

a)

-195 K

b)

195 K

c)

351 K

13.

In welke fase bevindt water zich bij 298 K?

a)

Vast

b)

Vloeibaar

c)

Gas

14.

Als een stof van vloeibaar naar gasvormige fase gaat dan het dat:

a)

stollen

b)

condenseren

c)

verdampen

d)

smelten

15.

Welke van de onderstaande antwoorden zijn stofeigenschappen? (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

kookpunt

b)

volume

c)

dichtheid

d)

giftigheid

16.

Als een vloeibare stof naar een vaste fase gaat dan heet dat:

a)

sublimeren

b)

smelten

c)

stollen

17.

Je zet een pan met water op het vuur en je ziet dat water begint te koken. Is dit op macro- of microniveau?

a)

macro

b)

micro