NEW
Font size
S
M
L
XL
Worksheetslesbrief crisis LWEO H4
Total questions: 10
Worksheet time: 5mins
Name
Class
Date
1.
Wat zijn opofferingskosten?
a)
De kosten van het alternatief dat je niet kiest
b)
De opbrengsten van het alternatief dat je niet kiest
2.
Welke stelling is juist?
a)
Hoger consumentenvertrouwen leidt tot hogere werkloosheid
b)
Lagere bestedingen leidt tot hogere werkloosheid
c)
Hogere bestedingen leidt tot hogere werkloosheid
d)
Lager consumentenvertrouwen leidt tot lagere werkloosheid
3.
Wat is consumeren
a)
Jan koopt fruit op de weekmarkt
b)
Jan eet fruit.
c)
de BV Fruit koopt aardbeien op de veiling.
d)
de groenteboer koopt fruit bij de boer.
4.
Wat wordt bedoeld met de economische term schaarste?
a)
oneindige behoefte, oneindige middelen
b)
er is een offer geleverd
c)
een vrij goed
d)
inspanningen voor productie zoals tijd, geld en goederen maken iets schaars
5.
Als Johan minder uren voor een taak nodig heeft dan Frans, dan heeft Johan een …...... Voordeel t.o.v. Frans
a)
comparatief
b)
absoluut
6.
De spaartegoeden van de Nederlandse huishoudens zijn afgelopen jaar opgelopen tot recordhoogte
a)
Het consumentenvertrouwen is waarschijnlijk laag.
b)
Het consumentenvertrouwen is waarschijnlijk hoog.
7.
De inflatie is 1,5%. Ik heb een schuld van 1 miljoen. Mijn schuld:
a)
Wordt meer waard en dus heb ik een voordeel
b)
Wordt minder waard en dus heb ik een voordeel
c)
Wordt meer waard en dus heb ik een nadeel
d)
Blijft onveranderd
8.
Als Artis een olifant koopt is dit een voorbeeld van
a)
consumeren
b)
investeren
9.
Lagere bestedingen leiden tot een hogere werkloosheid
a)
juist
b)
onjuist
10.
Een stijging van 110% heeft als groeifactor
a)
1.1
b)
11
c)
110
d)
2.1
Reset
