Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Didactiek Lesweek 7

Total questions: 22

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Door de jaren heen is er veel veranderd in het Nederlandse onderwijs. Vanaf de achtste eeuw kwamen er steeds meer plaatsen waar jongens les kregen.

Welke organisatie zorgde daar in eerste instantie voor?

a)

de gemeente

b)

de kerk

c)

de koning

d)

de regering

2.

Rond 1800 werd onderwijs steeds meer een....

a)

overheidstaak

b)

lesbevoegdheid

c)

lager onderwijs

d)

lijfstraffen

3.

In 1806 kwam de eerste onderwijswet. De wet regelde het....

a)

overheidstaak

b)

lager onderwijs

c)

ezelsoren

d)

lesbevoegdheid

4.

Onderwijzer moesten in 1806 voor het eerst een.... hebben.

a)

overheidstaak

b)

lijfstraffen

c)

lesbevoegdheid

d)

ezelsoren

5.

Rond welk jaartal werden lijfstraffen min of meer verboden?

a)

1700

b)

1870

c)

1820

d)

1910

6.

Wat was de schoolstrijd?

a)

(19e en begin 20e eeuw) is een strijd over de bekostiging van het onderwijs

b)

dat iedereen recht heeft op goed onderwijs

c)

onderwijs van kwaliteit over de hele wereld

d)

gelijkheid in het onderwijs

7.

Wat werd er in de wet op het basisonderwijs in 1985 geregeld?

a)

kinderen later over laten gaan naar het voortgezet onderwijs

b)

kinderen later over laten gaan naar het voortgezet onderwijs

c)

verplicht stellen van de Cito-eindtoets

d)

welke vakken er op de basisschool gegeven moeten worden

8.

Vanaf welke leeftijd is een kind in Nederland leerplichtig?

a)

3 jaar

b)

4 jaar

c)

5 jaar

d)

6 jaar

9.

Wat is een combinatiefunctionaris?

a)

Een leerkracht die onderwijstaken op een IKC heeft.

b)

Een onderwijsassistent die kinderopvangtaken en onderwijstaken heeft.

c)

Een onderwijsassistent die zich specialiseert in bepaalde functies binnen een school.

d)

Een pedagogisch medewerker die ook opvangtaken op school uitvoert.

10.

Als onderwijsassistent krijg je in je opleiding te maken met twee basiskerntaken en twee profielkerntaken.

Welke kerntaken zijn dat?

a)

Je begeleidt kinderen bij hun ontwikkeling.

b)

Je registreert de ontwikkeling van kinderen.

c)

Je voert lesactiviteiten uit in overleg met de docent.

11.

Als onderwijsassistent krijg je in je opleiding te maken met twee basiskerntaken en twee profielkerntaken.

Welke kerntaken zijn dat?

a)

Je voert opvangactiviteiten uit op een basisschool.

b)

Je voert taken uit rondom de lessen.

c)

Je werkt aan kwaliteit en deskundigheid.

12.

Wat is een functionele relatie?

a)

In een persoonlijke sfeer (vrienden)

b)

buiten de persoonlijke sfeer (functie)

13.

Dit komt voort vanuit je positie. Kinderen doen wat je zegt omdat jij de juf/meester bent.

a)

macht

b)

gezag

c)

overwicht

d)

professionele afstand

14.

Dit krijg je vrijwillig van je functionele relaties. Jij zult wel weten wat goed is, omdat je de juf / meester bent.

a)

macht

b)

gezag

c)

overwicht

d)

professionele afstand

15.

Kinderen doen heel gemakkelijk wat je zegt. Je oefent gemakkelijk invloed uit op anderen.

a)

macht

b)

gezag

c)

overwicht

d)

professionele afstand

16.

Kinderen en ouders kunnen jou wel persoonlijke zaken vertellen, maar jij deelt geen persoonlijke zaken over jezelf met hen.

a)

macht

b)

gezag

c)

overwicht

d)

professionele afstand

17.

Een onderwijsassistent kan zich goed inleven in de leerlingen. Dat noemen we...?

a)

empathie

b)

integriteit

c)

betrokkenheid

d)

assertiviteit

18.

Een onderwijsassistent toont ..... door verantwoord en naar eer en geweten te handelen.

a)

empathie

b)

betrokkenheid

c)

integriteit

d)

assertiviteit

19.

Door zich in te zetten voor het welzijn van de leerlingen toont de onderwijsassistent....?

a)

assertiviteit

b)

representativiteit

c)

betrokkenheid

d)

intregriteit

20.

Als een onderwijsassistent de organisatie waar hij voor werkt op een goede manier vertegenwoordigt, spreken we van...?

a)

empathie

b)

integriteit

c)

betrokkenheid

d)

representativiteit

21.

Door op te komen voor zichzelf, zijn eigen positie en verantwoordelijkheid, maar ook met de ander, toont de onderwijsassistent....

a)

betrokkenheid

b)

empathie

c)

integriteit

d)

assertiviteit

22.

Wat betekent een teamcultuur?

a)

verzameling van normen, waarden, opvattingen en gewoonten die worden gedeeld in een team

b)

de regels die afgesproken zijn

c)

het naleven van protocollen

d)

ook na werktijd met elkaar afspreken