Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Onderwerp en persoonsvorm

Total questions: 30

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het onderwerp in de volgende zin?

Tijdens de vakantie gingen ze naar Spanje.

a)

de vakantie

b)

gingen

c)

ze

d)

Spanje

2.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Tijdens de vakantie gingen ze naar Spanje.

(a)  

3.

Wat is het onderwerp?

Met haar grootouders spendeert Elif veel tijd.

(a)  

4.

Wat is de persoonsvorm?

Met haar grootouders spendeert Elif veel tijd.

a)

Met haar grootouders

b)

spendeert

c)

Elif

d)

veel tijd

5.

Wat is het onderwerp?

Ben jij ook zo'n voetballiefhebber?

a)

Ben

b)

jij

c)

ook zo'n voetballiefhebber

6.

Wat is de persoonsvorm?

Ben jij ook zo'n voetballiefhebber?

a)

Ben

b)

jij

c)

ook zo'n voetballiefhebber

7.

Wat is het onderwerp?

Bij zijn moeder vindt hij veel steun tijdens het studeren.

(a)  

8.

Wat is de persoonsvorm?

Bij zijn moeder vindt hij veel steun tijdens het studeren.

(a)  

9.

Wat is het onderwerp?

Dat felle geluid haalde hem uit zijn concentratie.

a)

geluid

b)

hem

c)

zijn concentratie

d)

dat felle geluid

10.

Wat is de persoonsvorm?

Dat felle geluid haalde hem uit zijn concentratie.

a)

Dat felle geluid

b)

haalde

c)

hem

d)

uit zijn concentratie

11.

Wat is het onderwerp?

De vrouw achter de kassa keek me argwanend aan.

(a)  

12.

Wat is de persoonsvorm?

De vrouw achter de kassa keek me argwanend aan.

(a)  

13.

Wat is het onderwerp?

Fastfood eet ik het liefst!

a)

Fastfood

b)

eet

c)

ik

d)

het liefst

14.

Wat is de persoonsvorm?

Fastfood eet ik het liefst!

(a)  

15.

Wat is het onderwerp?

Zoek jij een leuke film op Netflix?

a)

Zoek

b)

jij

c)

een leuke film

d)

op Netflix

16.

Wat is de persoonsvorm?

Zoek jij een leuke film op Netflix?

a)

Zoek

b)

jij

c)

een leuke film

d)

op Netflix

17.

Wat is het onderwerp?

Eet Louisa vanavond ook hier?

(a)  

18.

Wat is de persoonsvorm?

Eet Louisa vanavond ook hier?

(a)  

19.

Wat is het onderwerp?

Lang geleden speelde mijn jongste broer met de blokken.

a)

Lang geleden

b)

broer

c)

mijn jongste broer

d)

met de blokken

20.

Wat is de persoonsvorm?

Lang geleden speelde mijn jongste broer met de blokken.

a)

Lang geleden

b)

speelde

c)

mijn jongste broer

d)

met de blokken

21.

Wat is het onderwerp?

De jaarlijkse fuif zal weer een schot in de roos zijn!

(a)  

22.

Wat is de persoonsvorm?

De jaarlijkse fuif zal weer een schot in de roos zijn!

(a)  

23.

Wat is het onderwerp?

Morgen komen mijn ouders, broer en zus naar de match kijken.

a)

komen

b)

mijn ouders

c)

mijn ouders, broer en zus

d)

de match

24.

Wat is de persoonsvorm?

Morgen komen mijn ouders, broer en zus naar de match kijken.

a)

komen

b)

kijken

c)

mijn ouders, broer en zus

d)

de match

25.

Wat is het onderwerp?

Mo en Efe organiseren volgende week een competitie.

(a)  

26.

Wat is de persoonsvorm?

Mo en Efe organiseren volgende week een competitie.

(a)  

27.

Wat is het onderwerp?

Ketchup of mayonaise: wat kies jij?

a)

Ketchup of mayonaise

b)

wat

c)

kies

d)

jij

28.

Wat is de persoonsvorm?

Ketchup of mayonaise: wat kies jij?

a)

Ketchup of mayonaise

b)

wat

c)

kies

d)

jij

29.

Wat is het onderwerp?

Een regenjas, een paraplu en een tussendoortje neem je best mee op uitstap.

a)

Een regenjas

b)

Een regenjas, een paraplu en een tussendoortje

c)

een tussendoortje

d)

je

e)

een paraplu

30.

Wat is de persoonsvorm?

Een regenjas, een paraplu en een tussendoortje neem je best mee op uitstap.

a)

Een regenjas, een paraplu en een tussendoortje

b)

neem

c)

je

d)

mee