wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Financieel landschap hf 2 tot 4

Total questions: 15

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Welk van onderstaande kenmerken is niet van toepassing op “geld als ruilmiddel”

a)

Duurzaam

b)

Verplaatsbaar

c)

Elektronisch

d)

Homogeen

2.

Ons geld is niet meer gebonden aan de goudvoorraad. We noemen dit nu

a)

Conventioneel

b)

Giraal

c)

Representatief

d)

Fiduciair

3.

Door de geldhoeveelheid te monitoren kan men

a)

Inflatie onder controle houden

b)

Conjunctuur verbeteren

c)

Cash geld uit de maatschappij bannen

d)

De banken beter controleren

4.

Welk van de volgende elementen heeft geen impact op de inflatie ?

a)

Stijging van loon

b)

Algemene stijging van grondstoffen

c)

Individuele prijsstijging in mijn restaurant

d)

Stijging van de olieprijzen

5.

Gezien inflatie “vermindering van koopkracht “ betekent, is deflatie een vermeerdering van koopkracht ?

a)

Ja

b)

Neen

6.

Een koppel heeft 300.000 euro op hun gezamenlijke spaarrekening staan. Door omstandigheden gaat hun bank failliet. Welke som geld is gedekt door de depositowaarborg ?

a)

100.000 euro

b)

Niets

c)

De volledige som gezien het een Belgische bank is.

d)

200.000 euro

7.

Welke rol vervul ik als bank wanneer ik een lening van 250.000 euro geef om een huis te kopen ?

a)

Dienstverlener

b)

Kapitaalbeheerder

c)

Geldschepper

d)

Kassier

8.

Wanneer de kasreservecoëfficiënt 15 % is , betekent het dat mijn deposito van 100.000 euro........wordt

 

a)

115.000 euro

b)

666.666 euro

c)

15.000 euro

d)

150.000 euro

9.

De kredietscore heeft impact op

a)

Rentevoet van de lening

b)

Looptijd van de lening

c)

Bedrag van de lening

d)

Doel van de lening

10.

Bij de toekenning van een professioneel krediet voor een zelfstandige, moet de bank één van volgende instellingen raadplegen :

a)

NBB

b)

CKP

c)

CAP

d)

FSMA

11.

Men spreekt van stagflatie wanneer....

a)

De economie bloeit maar de prijzen op niveau blijven

b)

De economie ter plaatse blijft, maar de prijzen toch blijven stijgen

c)

De economie achteruitgaat en de prijzen stijgen

d)

Zowel de economie als de prijzen ter plaatse blijven

12.

Wanneer de nominale waarde van de munt ook de intrinsieke waarde is, dan spreken we van

a)

Tekenmunt

b)

Pasmunt

c)

Standaardmunt

d)

Conventionele munt

13.

Een kredietinstelling die het geld actief investeert in bedrijven in de hoop hier een meerwaarde te kunnen uithalen is een :

a)

Effektenbank

b)

Spaarbank

c)

Zakenbank

d)

Holding

14.

De digitalisatie van de financiële sector is een feit. Welke uitspraak is het minst correct ?

a)

Alle cliënten moeten hun bankverrichtingen via PC of Mobile doen

b)

Alle processen binnen de bank verlopen zo goed als gedigitaliseerd

c)

De kredietbeslissingen worden zoveel mogelijk geautomatiseerd

d)

Cash geld wordt zo goed als gebannen uit elk kantoor

15.

Om het kredietrisico te beperken zijn er een aantal maatregelen genomen. Welke uitspraak is niet correct ?

a)

Het nemen van extra zekerheden

b)

Het oprichten van een kredietcentrale

c)

Enkel loontrekkenden krijgen een lening

d)

Het gebruik van risicoklasses