wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

werkwoordelijk gezegde

Total questions: 15

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Wat zit er altijd in het werkwoordelijk gezegde?

a)

Persoonsvorm

b)

Voltooid deelwoord

c)

Infinitief

d)

Alle vormen komen altijd voor

2.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin?

Zij moest een heel stuk lopen om naar school te komen

a)

moest

b)

komen

c)

moest te komen

d)

moest komen

3.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin?

Ze leest elke dag een paar bladzijdes in haar spannende boek.

(a)  

4.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

Ze wil elke avond graag even televisie kijken

a)

wil

b)

wil kijken

c)

kijken

5.

Waar of niet waar?

'Aan het' en 'te' kunnen bij het werkwoordelijk gezegde horen.

a)

Waar

b)

Niet waar

6.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

De boer rijdt de tractor van het erf naar het weiland.

a)

rijdt naar

b)

rijdt van naar

c)

rijdt

d)

rijd

7.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

Merel is haar horloge op school kwijtgeraakt

a)

is

b)

kwijtgeraakt

c)

is kwijtgeraakt op

d)

is kwijtgeraakt

8.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

Haar vriendin heeft het rokje uit de winkel nooit mooi gevonden.

a)

heeft

b)

heeft gevonden

c)

gevonden

d)

heeft uitgevonden

9.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin?

Waarom wil mijn broertje altijd voetballen op het veldje tegenover ons huis?

a)

waarom

b)

voetballen

c)

wil

d)

wil voetballen

10.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

Zij wil nooit haar moeder helpen met de afwas

(a)  

11.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin?

Zij kan heel mooi tekenen.

a)

kan

b)

kan tekenen

c)

tekenen

d)

kan mooi tekenen

12.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

Rijke mensen kunnen veel geld uitgeven.

a)

rijke

b)

kunnen

c)

rijke kunnen uitgeven

d)

kunnen uitgeven

13.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

Zij heeft haar leugen gelukkig nooit geloofd.



(a)  

14.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

Zij moet leren om naar haar moeder te luisteren

(a)  

15.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

Ze was naar haar moeder aan het luisteren.

(a)