wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Spelling

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Hij heeft dat anders ______ dan ik

a)

beleefd

b)

beleeft

c)

beleefdt

2.

____ jouw moeder morgen 50 jaar?

a)

Word

b)

Wordt

c)

Wort

3.

De _______ aardappels lagen in de pan

a)

Aangebrand

b)

Aangebrandde

c)

Aangebrande

d)

Aangebranden

4.

____ jij dat ook belangrijk voor je toekomst?

a)

Vindt

b)

Vind

5.

Dat zal hem als persoon wel _____ hebben

a)

Veranderd

b)

Verandert

c)

Veranderdt

6.

Het _____ vlees lag in de pan

a)

gebakte

b)

gebakten

c)

gebakken

d)

gebakke

7.

Hij heeft door de warmte erg ____

a)

gezweten

b)

gezweet

8.

Wanneer ______ hij dat voor de rechter?

a)

verklaart

b)

verklaard

9.

Gisteren ______ jullie niet

a)

antwoorde

b)

antwoordde

c)

antwoorden

d)

antwoordden

10.

Die wond ____ hij open

a)

krabte

b)

krabten

c)

krabden

d)

krabde

11.

Zal zij die mail nog ___ hebben?

a)

beantwoort

b)

beantwoordt

c)

beantwoord

12.

____ in de klas, lette hij niet op

a)

Zittend

b)

zittent

c)

Gezeten

13.

Wat is goed?

a)

belangrijk

b)

belangerijk

14.

Wat is goed?

a)

tv'tje

b)

tv-tje

15.

Hij ____ vorige week veel tijd aan zijn huiswerk

a)

besteed

b)

besteedt

c)

bestede

d)

besteedde

e)

besteden

16.

____ er nog een vliegtuig vanavond?

a)

Landde

b)

Land

c)

Landt

17.

Op dat schema ____ je je naam

a)

vermelt

b)

vermeldt

c)

vermeld

18.

De ____ ring ligt op tafel

a)

vergroten

b)

vergroot

c)

vergrote

d)

vergrootte

19.

Is deze zin goed? --> Maar hij ging naar huis.

a)

ja

b)

nee

20.

In welke tijd staat het ww? --> Zij maken hun huiswerk

a)

infinitief

b)

pvtt

c)

pvvt