NEW
Font size
WorksheetsSpelling
Total questions: 20
Worksheet time: 10mins
Hij heeft dat anders ______ dan ik
beleefd
beleeft
beleefdt
____ jouw moeder morgen 50 jaar?
Word
Wordt
Wort
De _______ aardappels lagen in de pan
Aangebrand
Aangebrandde
Aangebrande
Aangebranden
____ jij dat ook belangrijk voor je toekomst?
Vindt
Vind
Dat zal hem als persoon wel _____ hebben
Veranderd
Verandert
Veranderdt
Het _____ vlees lag in de pan
gebakte
gebakten
gebakken
gebakke
Hij heeft door de warmte erg ____
gezweten
gezweet
Wanneer ______ hij dat voor de rechter?
verklaart
verklaard
Gisteren ______ jullie niet
antwoorde
antwoordde
antwoorden
antwoordden
Die wond ____ hij open
krabte
krabten
krabden
krabde
Zal zij die mail nog ___ hebben?
beantwoort
beantwoordt
beantwoord
____ in de klas, lette hij niet op
Zittend
zittent
Gezeten
Wat is goed?
belangrijk
belangerijk
Wat is goed?
tv'tje
tv-tje
Hij ____ vorige week veel tijd aan zijn huiswerk
besteed
besteedt
bestede
besteedde
besteden
____ er nog een vliegtuig vanavond?
Landde
Land
Landt
Op dat schema ____ je je naam
vermelt
vermeldt
vermeld
De ____ ring ligt op tafel
vergroten
vergroot
vergrote
vergrootte
Is deze zin goed? --> Maar hij ging naar huis.
ja
nee
In welke tijd staat het ww? --> Zij maken hun huiswerk
infinitief
pvtt
pvvt
