wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Grammaticaproject 5 (Klas 3) diagnostische toets

Total questions: 22

Worksheet time: 22mins

Name
Class
Date
1.

In welke tijd staat de volgende zin?


De onderwijsraad vergaderde tot 's avonds laat over de moeilijke vraagstukken.

a)

onvoltooid tegenwoordige tijd

b)

onvoltooid verleden tijd

c)

voltooid tegenwoordige tijd

d)

voltooid verleden tijd

2.

In welke tijd tijd staat de volgende zin?


Mijn oom heeft weer heerlijk voor iedereen gekookt.

a)

onvoltooid tegenwoordige tijd

b)

onvoltooid verleden tijd

c)

voltooid tegenwoordige tijd

d)

voltooid verleden tijd

3.

Welke zin staat in de bedrijvende vorm?

a)

Vorige week kan het bestuur de rapporten geven

b)

De rapporten kunnen volgende week door het bestuur gegeven worden

4.

Welke zin staat in de lijdende vorm?

a)

Het boek wordt door de man aan de buurvrouw gegeven

b)

De buurvrouw krijgt een boek van de buurman

5.

Als je de zin in de lijdende vorm zou veranderen, welke werkwoorden (in de juiste vorm) moet je dan gebruiken?


De docent maakt een moeilijke toets voor de leerlingen

a)

heeft gemaakt

b)

had gemaakt

c)

wordt gemaakt

d)

werd gemaakt

6.

Als je de zin in de lijdende vorm zou veranderen, welke werkwoorden (in de juiste vorm) moet je dan gebruiken?


De hovenier verzorgde alle planten in de pas aangelegde tuin.

a)

worden verzorgd

b)

werden verzorgd

c)

zijn verzorgd

d)

waren verzorgd

7.

Waaraan herken je een bijzin?

a)

Er staat weinig informatie in.

b)

Er staat geen onderwerp in.

c)

Er kan een ander zinsdeel tussen het onderwerp en de persoonsvorm staan.

d)

De persoonsvorm staat altijd achteraan in de zin.

8.

Welke structuur heeft de volgende zin?


Heel veel boeken zijn goed geschreven, maar ik heb niet alles gelezen.

a)

Hoofdzin + Hoofdzin

b)

Hoofdzin + Bijzin

c)

Bijzin + Hoofdzin

9.

Welke structuur heeft de volgende zin?


Omdat ik het juiste lijstje niet had, kocht ik helaas de verkeerde dingen.

a)

Hoofdzin + Hoofdzin

b)

Hoofdzin + Bijzin

c)

Bijzin + Hoofdzin

10.

Welke zin hoort bij de volgende structuur?


Bijzin + hoofdzin

a)

Toen hij aankwam op school, liepen zijn vrienden meteen naar hem toe.

b)

In de garage werden de meeste auto's meteen gerepareerd, terwijl mijn auto pas een week later klaar was.

11.

Welke zin hoort bij de volgende structuur?


Hoofdzin + bijzin

a)

Of ik naar de dierentuin ga, is nog maar de vraag.

b)

Het is nog maar de vraag of ik naar de dierentuin ga.

12.

Waaraan herken je een beknopte bijzin?

a)

Er staat geen onderwerp en geen persoonsvorm in de zin.

b)

Er staat geen persoonsvorm in de zin.

c)

Er staat geen onderwerp in de zin.

d)

De zin is veel korter dan een gewone bijzin.

13.

Welke werkwoordsvormen kunnen er wel in een beknopte bijzin staan? Er zijn meerdere antwoorden goed.

a)

te + infinitief

b)

persoonsvorm

c)

onvoltooid deelwoord

d)

voltooid deelwoord

e)

gebiedende wijs

14.

In welke zin staat een beknopte bijzin?

a)

Deze prachtige motor, de snelste van de straat, staat sinds gisteren koop.

b)

Ondanks dat ik al rapporten gelezen heb, weet ik niet goed wat er van mij verwacht wordt.

c)

Huilend van boosheid liep ik de school uit.

d)

Terwijl ik las, belde mijn moeder drie keer.

15.

Wat is een onvoltooid deelwoord?

a)

Kopen

b)

Te kopen

c)

Gekocht

d)

Koop!

e)

Kopend

16.

In welke zin staat een beknopte bijzin?

a)

Nadat ik in het zwembad sprong, was ik kleddernat,

b)

Na in het zwembad gesprongen te zijn, waren we kleddernat.

c)

Ik sprong, dus daarom werd ik kleddernat.

17.

Wat is de structuur van de volgende zin?


Anne en Marit keken naar een spannende film en gingen daarna slapen.

a)

Bijzin + hoofdzin

b)

Hoofdzin + bijzin

c)

Hoofdzin + hoofdzin

18.

In de onderstreepte zin is iets weggelaten.


Anne en Marit keken naar een spannende film en gingen daarna slapen


Hoe noem je zo'n zin?

a)

Samentrekking

b)

Beknopte hoofdzin

c)

Beknopte bijzin

19.

Een samentrekking kan alleen voorkomen bij de volgende structuur:

a)

Hoofdzin + bijzin

b)

Beknopte bijzin + hoofdzin

c)

Hoofdzin + hoofdzin

d)

Bijzin + hoofdzin

20.

Wat is weggelaten?


Tijdens het opruimen vond ik een oud boek en een oude vaas

a)

Persoonsvorm en onderwerp

b)

Persoonsvorm

c)

Onderwerp

d)

Persoonsvorm en lijdend voorwerp

e)

Lijdend voorwerp

21.

Welk woordsoort is het weggelaten werkwoord?


Net als mijn grote broer word ik snel blij en snel boos

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

c)

koppelwerkwoord

22.

Welk woordsoort is het weggelaten werkwoord?


Moh heeft een lekkere taart gemaakt en hem daarna meteen opgegeten.

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

c)

koppelwerkwoord