wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

leesvaardigheid havo 1

Total questions: 46

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Welke strategie pas je toe

als je het onderwerp van de tekst wil weten?

a)

oriënterend lezen

b)

globaal lezen

c)

zoekend lezen

2.

In welk zin van een alinea lees je

de belangrijkste informatie van die alinea?

a)

eerste zin

b)

tweede zin

c)

laatste zin

d)

eerste en laatste zin, soms de tweede

3.

Wat is een ander woord voor: illustraties?

a)

tussenkopjes

b)

alinea's

c)

afbeeldingen

d)

anders gedrukt

4.

Hoe heet meestal de laatste alinea van een tekst?

a)

slot

b)

einde

c)

inleiding

d)

bron

5.

Waar of niet waar:

Een alinea begint altijd op een nieuwe regel.

a)

waar

b)

niet waar

6.

Wat is het grootste deel van een tekst?

a)

inleiding

b)

middenstuk

c)

slot

7.

Wat is het doel van een uitnodiging

voor de opening van een nieuwe bioscoop?

a)

informeren

b)

activeren

c)

overtuigen

d)

vermaken

8.

Je leesstrategie hangt af van je leesdoel.

a)

waar

b)

niet waar

9.

Wat is een kernzin altijd?

a)

De belangrijkste zin van de alinea

b)

De eerste zin van de alinea

c)

Het onderwerp van de alinea

d)

De laatste zin van de alinea

10.

Wat is geen leesstrategie ?

a)

Oriënterend lezen

b)

Globaal lezen

c)

Zoekend lezen

d)

Oppervlakkig lezen

11.

Je leest de titel, tussentitels en de inleiding. In elke alinea lees je de eerste en laatste zin.

Welke leesstrategie gebruik je dan?

a)

oriënterend lezen

b)

intensief lezen

c)

globaal lezen

d)

Zoekend lezen

12.

Welke leesstrategie kan je het beste gebruiken als je het Onderwerp wilt vaststellen en snel wilt bepalen of de tekst voor jou interessant is?

a)

globaal lezen

b)

Oriënterend lezen

c)

intensief lezen

d)

zoekend lezen

13.

Welke leesstrategie gebruik je als je een toets van geschiedenis moet leren?

a)

oriënterend lezen

b)

zoekend lezen

c)

globaal lezen

d)

intensief lezen

14.

Als je oriënterend leest, dan ...

a)

wil je een eerste indruk krijgen van de tekst om het onderwerp te bepalen.

b)

wil je de hoofdpunten uit de tekst halen.

c)

wil je snel informatie vinden.

d)

wil je de tekst helemaal begrijpen.

15.
Waar vind je meestal de hoofdgedachte van een tekst?
a)
Inleiding + slot
b)
Tweede alinea
c)
Kern
d)
Titel
16.

Wat is "woordraadstrategie"?

a)

Hiermee kun je woorden leren kennen.

b)

Hiermee kun je woorden beter onthouden.

c)

Hiermee kun je de betekenis van woorden uit de tekst ontdekken.

d)

Hiermee kun je woorden leren onthouden.

17.

Wat is GEEN woordraadstrategie?

a)

Synoniem zoeken

b)

Tegenstelling vinden

c)

Definitie zoeken

d)

Omschrijving vinden

e)

Hoofdgedachte

18.

Wat is een voorbeeld van een woordraadstrategie?

a)

synoniem zoeken

b)

overleggen

19.

Waar de tekst over gaat is:

a)

de hoofdgedachte

b)

het thema

c)

het onderwerp

d)

de titel

20.

Om de hoofdgedachte te vinden, lees je de tekst

a)

precies.

b)

zoekend.

c)

globaal.

d)

oriënterend.

21.

Het belangrijkste doel van een brief van de NS over tariefswijzigingen is ...

a)

informeren

b)

instrueren

c)

overhalen

d)

overtuigen

22.

Er zijn twee antwoorden goed.

Een hoofgedachte.....

a)

Is nooit een vraagzin

b)

Geeft de belangrijkste informatie uit de tekst

c)

Staat altijd aan het einde van een tekst

d)

Staat dikgedrukt

23.

Er zijn twee antwoorden goed

Een kernzin.....

a)

Is de kern van de tekst

b)

Geeft de belangrijkste informatie uit een alinea

c)

Staat meestal aan het begin of einde van een alinea

d)

Is de belangrijkste zin van de tekst

24.

Hoe heet de woordraadstrategie wanneer je een woord zoekt dat hetzelfde betekent als het woord waar jij de betekenis van wil weten?

a)

omschrijving

b)

synoniem

c)

voorbeeld

d)

tegenstelling

25.

Hoe heet de woordraadstrategie die je gebruikt om achter de betekenis van een woord te komen, waarbij je kijkt naar een woord dat het tegenovergestelde betekent?

a)

tegenstelling

b)

synoniem

c)

voorbeeld

d)

omschrijving

26.

Welke van deze oplossingen is geen woordraadstrategie?

a)

Een omschrijving zoeken

b)

Een voorbeeld zoeken

c)

Het woord in een woordenboek opzoeken

d)

Een tegenstelling zoeken

27.

Wat is een woordraadstrategie?

a)

een manier om achter de betekenis van een woord te komen

b)

een manier om een tekst samen te vatten

c)

een manier om het woordenboek beter te gebruiken

d)

een manier om zinnen te maken

28.

We keken samen naar een zielige film, het was echt tragisch.


Welke woordraadstrategie kan je gebruiken om achter de betekenis van het onderstreepte woord te komen?

a)

Woordzoekstrategie: synoniem

b)

Woordzoekstrategie: bekend woorddeel

c)

Woordzoekstrategie: omschrijving

d)

Woordzoekstrategie: voorbeeld

29.

Hoe noemen we de woordraadstrategie die we kunnen herkennen aan de woorden 'bijvoorbeeld' of 'zoals' in een zin?

a)

Woordraadstrategie: tegenstelling

b)

Woordraadstrategie: voorbeeld

c)

Woordraadstrategie: synoniem

d)

Woordraadstrategie: bekend woorddeel

30.

Welke woordraadstrategie kan je gebruiken om achter de betekenis van het onderstreepte woord te komen?


Zij heeft een aanbidder. Dat is iemand die haar bewondert.

a)

Woordraadstrategie: tegenstelling

b)

Woordraadstrategie: omschrijving

c)

Woordraadstrategie: synoniem

d)

Woordraadstrategie: bekend woorddeel

31.

Wat is het tekstdoel van een krantenbericht?

a)

amuseren

b)

instrueren

c)

overtuigen

d)

informeren

32.

Wat is het tekstdoel van een stripverhaal?

a)

amuseren

b)

instrueren

c)

overtuigen

d)

activeren

33.
Welke tekstsoort hoort bij instrueren?
a)
krantenbericht
b)
strip
c)
stapsgewijze uitleg
d)
advertentie
34.
Welke tekstsoort hoort bij overtuigen?
a)
advertentie
b)
strip
c)
ingezonden brief
d)
recept
35.

De eerste vijf letters van de tekstdoelen zijn:

a)

OIOIO

b)

IAIAO

c)

AIAIO

d)

AIOLI

36.

Er zijn meer tekstsoorten dan tekstdoelen

a)

waar

b)

niet waar

37.

Wat is je tekstdoel als je een briefje achterlaat voor iemand die op je huis past in jouw vakantie?

a)

overtuigen

b)

instrueren

c)

informeren

d)

amuseren

38.

De hoofdgedachte van een tekst is nooit een.........

a)

kip

b)

olifant

c)

ei

d)

vraag

39.

De conclusie van een tekst staat meestal in.......

a)

het slot

b)

het middenstuk

c)

de inleiding

d)

de modder

40.

De inleiding van een tekst bestaat altijd uit 1 alinea

a)

juist

b)

onjuist

41.

Het slot van een tekst bestaat altijd uit 1 alinea

a)

juist

b)

onjuist

42.

Het middenstuk van een tekst zou uit 1 alinea kunnen bestaan.

a)

juist

b)

onjuist

43.

Hoe moet je lezen als je het ONDERWERP van een tekst te weten wilt komen?

(a)  

44.

Hoe moet je lezen als je de HOOFDGEDACHTE van een tekst te weten wilt komen?

(a)  

45.

De O in AIAIO staat voor .......

a)

oliedom

b)

ongelukkig

c)

overtuigen

d)

olifant

46.

"precies" lezen kost je meer tijd dan "oriënterend" lezen.

a)

waar

b)

niet waar