wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H2 Thema 3 BS5 Het immuunsysteem

Total questions: 19

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.
Welke bloedcellen zijn onderdeel van het immuunsysteem?
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedplaatjes
d)
Bloedplasma
2.
De cellen die buiten een bloedvat bacteriën kunnen bestrijden zijn
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
3.

wat in je lichaam beschermt tegen ziekteverwekkers?

a)

afweersysteem

b)

bloedsomloop

c)

uitscheidingsstelsel

d)

medicijnen

4.

Een antigeen is

a)

Lichaamsvreemd

b)

Lichaamseigen

c)

Een ander woord voor een witte bloedcel

5.

Een antistof is..

(twee antwoorden zijn goed)

a)

Lichaamseigen

b)

Lichaamsvreemd

c)

Iets dat gemaakt wordt door witte bloedcellen

d)

Iets dat gemaakt wordt door de rode bloedcellen

6.
Wat is een ander woord voor inenting?
a)
Vaccin/vaccinatie
b)
Serum
7.

Waar bevinden zich witte bloedcellen?

a)

In de bloedvaten

b)

In de bloedvaten en daarbuiten

c)

In de darmen

d)

Tussen de organen

8.

Natuurlijk immuniteit is...

a)

wanneer je natuurlijke antistoffen ingespoten krijgt

b)

wanneer je kunstmatige antistoffen ingespoten krijgt

c)

wanneer je zelf natuurlijke antistoffen maakt

d)

wanneer je zelf kunstmatige antistoffen maakt

9.

Kunstmatige immuniteit is...

a)

...als je een vaccin toegediend krijgt

b)

...als je witte bloedcellen ingespoten krijgt

c)

...als jouw lichaam zelf antistoffen aanmaakt na een vaccinatie

d)

... als jouw lichaam zelf antigenen aanmaakt na een vaccinatie

10.

Een antistof kan zich hechten aan verschillende ziekteverwekkers

a)

Waar, antistoffen werken op verschillende antigenen

b)

Niet waar, antistoffen werken op slechts één type lichaamsvreemde stof

c)

Waar, antistoffen werken op een groep van dezelfde antigenen

d)

Niet waar, dit is niet de functie van antistoffen

11.

............................. zijn herkenningspunten aan de buitenkant van een cel. Hieraan kun je een cel herkennen.

a)

Antistoffen

b)

Bacteriën

c)

Antigenen

d)

Vaccinatie

12.

Dit zijn stoffen, gemaakt door witte bloedcellen, die vast kunnen hechten aan de antigenen en zo de ziekteverwekker onschadelijk kunnen maken. Deze stoffen heten:

(a)  

13.

Door de geheugencellen word je niet meer ziek als je de ziekteverwekker nog eens binnen krijgt. Je lichaam heeft al antistoffen, doordat je ziek bent geweest. Je noemt dat ook wel dat je (a)   bent tegen de ziekte.

14.

Wat wordt er bij een inenting in je lichaam gespoten?

a)

Een sterke versie van de ziekteverwekker

b)

Een antistof tegen de ziekteverwekker

c)

Antigenen tegen de ziekteverwekker

d)

Een verzwakte versie van de ziekteverwekker

15.

Na een inenting(vaccin) gaat je lichaam....

a)

Antigenen maken

b)

Antistoffen maken

c)

Vreetcellen maken

16.

Als je geen allergische ouders hebt, kun je geen allergie krijgen.

a)

juist

b)

fout

17.

Als je gevoelig bent voor een stof dan noem je dat?

a)

Overgevoeligheid

b)

Astma

c)

Allergie

18.

Waarvoor zijn mensen met hooikoorts erg allergisch?

a)

Haren van dieren

b)

Huisstofmijt

c)

Rook en stof

d)

Stuifmeelkorrels

19.

Wanneer kan je een EpiPen gebruiken?

a)

Als je een anafylactische reactie krijgt

b)

Als je iets op wilt schrijven

c)

Als je denkt dat je ziek gaat worden

d)

Als je ziek bent

e)

Als je denkt dat je een anafylactische reactie gaat krijgen