wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taalverzorging 1/2/3 1kgt

Total questions: 65

Worksheet time: 43mins

Name
Class
Date
1.

Maak de zin af. De persoonsvorm is altijd...

a)

een woord

b)

een werkwoord

c)

een persoon

d)

een zelfstandig naamwoord

2.

De persoonsvorm heeft een soort relatie met...

a)

een lidwoord

b)

Anja

c)

een zelfstandig naamwoord

d)

het onderwerp

3.

Maak de zin af: Als het onderwerp enkelvoud is,

a)

dan is de persoonsvorm ook enkelvoud

b)

dan is de persoonsvorm meervoud

4.

De persoonsvorm vind je via de vraagproef. Wat is dat?

a)

Maak de zin vragend en kies dan het eerste woord.

b)

Maak de zin vragend en kies dan de eerste persoon.

c)

Maak de zin vragend en kies dan het eerste werkwoord.

5.

Wat is de persoonsvorm:

Jan gaat niet graag naar school.

a)

Jan

b)

gaat

c)

graag

d)

school

6.

Wat is de persoonsvorm:

Waarom gaat Jan niet graag naar school?

a)

Waarom

b)

gaat

c)

Jan

d)

graag

7.

Wat is de persoonsvorm:

Gisteren wilde Jan niet graag naar school gaan.

a)

Gisteren

b)

wilde

c)

Jan

d)

gaan

8.

Je kunt de persoonsvorm ook vinden via.....

a)

tijdproef

b)

verlengproef

c)

letterproef

9.

Bij de tijdproef...

a)

is het werkwoord dat NIET verandert de persoonsvorm

b)

is het werkwoord dat verandert de persoonsvorm

c)

is het werkwoord dat langer wordt de persoonsvorm

10.

Veel woorden eindigen op een "t"-klank, maar soms schrijf je toch een "d". Soms helpt hierbij de...

a)

tijdproef

b)

verlengproef

c)

vraagproef

d)

letterproef

11.

Wat is goed geschreven?

a)

hond, doelpunt, kraslod, zwart

b)

permanent, journalist, vervelent, breed

c)

blont, feest, brand, overzicht

d)

gedoucht, blind, held, want

12.

De ik-vorm eindigt (bijna) nooit op...(meer antwoorden mogelijk)

a)

een -V

b)

een -Z

c)

een -F

d)

een -S

13.

De ik-vorm eindigt nooit op

a)

twee VERSCHILLENDE medeklinkers

b)

twee DEZELFDE medeklinkers

14.

Welke ik-vorm zijn goed:

a)

koop, maai, zing, betal

b)

reken, til, ramm, leef

c)

lez, graaf, let, zit

d)

blaas, leef, reken, speel

15.

Wat is de ik-vorm van schudden?

a)

schud

b)

schudd

c)

schut

16.

Wat is de ik-vorm van blazen?

a)

blaaz

b)

blaz

c)

blaas

d)

blas

17.

Wat is de ik-vorm van slapen?

a)

slap

b)

slaap

c)

slaapt

18.

Wat is de ik-vorm van vinden?

a)

vind

b)

vindt

c)

vint

19.

Wat is de ik-vorm van worden?

a)

wordt

b)

wort

c)

word

20.

Wat is de ik-vorm van reizen?

a)

reiz

b)

rijs

c)

reis

d)

rijz

21.

Wat zijn weetwoorden?

a)

woorden die je kunt leren met regels

b)

woorden die je gewoon uit je hoofd moet leren

22.

Welke woorden zijn goed geschreven?

a)

dijk, hoeveelheid, aardbei

b)

dreigend, dreiven, seizoen

c)

tweifel, feit, bladzijde

d)

meisje, ijsje, wijsneus

23.

Wat is het lidwoord in deze zin?

Een cadeau is eergisteren door mijn moeder aan Kees gegeven.

a)

een

b)

cadeau

c)

moeder

d)

Kees

24.

Wat is het lidwoord in deze zin?

Wie kon het glas limonade vanochtend niet drinken?

a)

wie

b)

kon

c)

het

d)

glas

25.

Wat is het lidwoord in deze zin?

Een barbecue wilden ze verleden week kopen voor die jarige collega.

a)

een

b)

ze

c)

voor

d)

die

26.

Wat is het lidwoord in deze zin?

De heer Hoogveld moet lang ambtenaar zijn geweest.

a)

de

b)

heer

c)

zijn

d)

geweest

27.

Wat zijn de zelfstandige naamwoorden in deze zin?

De directeur stemde in met het ontslag.

a)

de

b)

directeur

c)

directeur en ontslag

d)

ontslag

28.

Wat zijn de zelfstandige naamwoorden in deze zin?

Is Harry ook geschrokken van die aardbeving in Japan?

a)

Harry

b)

aardbeving

c)

Japan

d)

Harry en aardbeving

e)

Harry, aardbeving en Japan

29.

Wat zijn de zelfstandige naamwoorden in deze zin?

De meisjes waren trots op hun mooie rapporten.

a)

meisjes

b)

mooie

c)

rapporten

d)

meisjes en mooie

e)

meisjes en rapporten

30.

Wat zijn de zelfstandige naamwoorden in deze zin?

De moeder heeft alsnog gehuild om haar verloren ring.

a)

de

b)

moeder

c)

moeder en verloren

d)

moeder en ring

e)

ring

31.

Wat is juist? Meer dan één antwoord mogelijk!

Zo herken je het zelfstandig naamwoord:

a)

Je kunt er vaak een lidwoord voor zetten.

b)

Je kunt er vaak enkelvoud of meervoud van maken.

c)

Je kunt er vaak een verkleinwoord van maken.

d)

Je kunt het in de verleden tijd zetten.

32.
Zoek het onderwerp in deze zin.
Harry Potter gaat voor het eerst naar Zweinstein.
a)
Harry Potter
b)
Zweinstein
c)
gaat
d)
eerst
33.
Zoek in deze zin het onderwerp.
De uil bezorgt een brief.
a)
een brief
b)
de uil
c)
bezorgt
d)
een
34.
Zoek in deze zin de persoonsvorm.
Meneer Duffeling wordt ontzettend kwaad.
a)
kwaad
b)
ontzettend
c)
wordt
d)
meneer Duffeling
35.

Wat is het onderwerp in de volgende zin?

Tijdens de vakantie gingen ze naar Spanje.

a)

de vakantie

b)

gingen

c)

ze

d)

Spanje

36.

Wat is het onderwerp?

Met haar grootouders spendeert Elif veel tijd.

(a)  

37.

Wat is het onderwerp?

Ben jij ook zo'n voetballiefhebber?

a)

Ben

b)

jij

c)

ook zo'n voetballiefhebber

38.

Wat is het onderwerp?

Bij zijn moeder vindt hij veel steun tijdens het studeren.

(a)  

39.

Wat is het onderwerp?

De vrouw achter de kassa keek me argwanend aan.

(a)  

40.

Wat is het onderwerp?

Morgen komen mijn ouders, broer en zus naar de match kijken.

a)

komen

b)

mijn ouders

c)

mijn ouders, broer en zus

d)

de match

41.

Daniëlle (houden) van lezen

a)

houdt

b)

houd

c)

hout

42.

Vul de juiste vorm van de tegenwoordige tijd in.

Christian (vinden) Beneden-Leeuwen een mooi dorp.

a)

vind

b)

vindt

c)

vinden

d)

vint

43.
Els (werken) in de grote stad.
a)
werk
b)
werken
c)
werkdt
d)
werkt
44.
Ik (zoeken) mijn handtas.
a)
zoekt
b)
zoeken
c)
zocht
d)
zoek
45.
(Worden) je ook gek van dat werkje?
a)
Worden
b)
Wordt
c)
Word
d)
Wort
46.

Vul in: die of dat

Hij heeft ...................... spel zelf ontwikkeld

a)
die
b)
dat
47.
Vul in: die of dat:
Weet jij waar .................. boek ligt?
a)
die
b)
dat
48.

Vul in: deze of dit.

Hij heeft .................... film al twee keer gezien.

a)
dit
b)
deze
49.
Vul in: deze of dit:
Hij vraagt ................... nu al voor de tweede keer.
a)
deze
b)
dit
50.

Vul in: deze of dit


.................. is de laatste keer dat ik mee vraag.

a)
Dit
b)
Deze
51.

Vul in: jou of jouw:

Is dat ................. broer die daar loopt?


a)
jou
b)
jouw
52.

Vul in: jou of jouw:

Ik neem .................. niet meer mee.

a)
jou
b)
jouw
53.

Welk woord moet met een hoofdletter worden geschreven?

a)

april

b)

juni

c)

beatrixcollege

d)

westen

54.

Welk woord moet NIET met een hoofdletter worden geschreven?

a)

amsterdam

b)

bijbelverhaal

c)

engelse drop

d)

van goghstraat

55.

Er zitten twee fouten met hoofdletters in onderstaande tekst. Welke?

Vorige Zomer maakte Hein een reis door Engeland. Hij vertrok ten Westen van Manchester en kwam eind augustus aan in de hoofdstad.

a)

Zomer en Hein

b)

Manchester en augustus

c)

augustus en Westen

d)

Zomer en Westen

56.

Zijn de hoofdletters goed?

'S avonds drinkt Robert graag een kopje thee.

a)

Ja

b)

Nee

57.

Je schrijft GEEN hoofdletter bij

a)

een eigennaam

b)

bijvoeglijke naamwoorden die zijn afgeleid van aardrijkskundige namen

c)

namen van seizoenen

d)

het begin van de zin

58.

Wanneer schrijf je een hoofdletter?

a)

Begin van een zin

b)

Na een ,

c)

Na een ;

59.

Welke woorden moet je met een hoofdletter schrijven?

deze man komt uit mexico

a)

deze

b)

man

c)

komt

d)

uit

e)

mexico

60.

Welke woorden moet je met een hoofdletter schrijven?

maria kijkt met kerstmis the grugde

a)

maria

b)

kijkt

c)

met

d)

kertsmis

e)

the grudge

61.

Welk leesteken past het best aan het eind van deze zin?

"Een van hen had een emmer, de tweede had een drilboor en de derde een spade"

a)

?

b)

!

c)

.

62.

Welk leesteken past het best in deze zin?

"Met zijn spade gooide de eerste de steen uit de weg"

a)

?

b)

!

c)

.

63.

Welk leesteken past het best in deze zin?

"Een van hen riep: “Pas op, een explosief"

a)

?

b)

!

c)

.

64.
Wat is de juiste schrijfwijze?
a)
’S nachts naar de sterren kijken is heel leerrijk.
b)
's nachts naar de sterren kijken is heel leerrijk.
c)
's Nachts naar de sterren kijken is heel leerrijk.
d)
'S Nachts naar de sterren kijken is heel leerrijk.
65.
Wat is de juiste schrijfwijze?
a)
Ik luister op maandagochtend graag naar Studio Brussel.
b)
Ik luister op maandagochtend graag naar studio brussel.
c)
Ik luister op Maandagochtend graag naar Studio Brussel.
d)
Ik luister op Maandagochtend graag naar studio brussel.