wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling kerstexamen NA1

Total questions: 93

Worksheet time: 1hrs 28mins

Name
Class
Date
1.

Geef het juiste begrip:


Een groene plant, maakt zijn eigen voedsel aan.

a)

producent

b)

consument

2.

Geef het juiste begrip:


Een dier dat zich voedt met een ander organisme.

a)

producent

b)

consument

3.

De bovenstaande afbeelding is een duidelijk voorbeeld van een ...

a)

voedselweb

b)

voedselketen

c)

voedselkringloop

4.

De bovenstaande afbeelding is een duidelijk voorbeeld van een ...

a)

voedselweb

b)

voedselketen

c)

voedselkringloop

5.

De bovenstaande afbeelding is een duidelijk voorbeeld van een ...

a)

voedselweb

b)

voedselketen

c)

voedselkringloop

6.

Welk effect heeft het weghalen van alle planteneters uit een biotoop?

a)

Het aantal vleeseters daalt en de plantengroei neemt af

b)

Het aantal vleeseters stijgt en de plantengroei neemt toe.

c)

Het aantal vleeseters daalt en de plantengroei neemt toe.

d)

Het aantal vleeseters stijgt en de plantengroei neemt af.

7.

De bovenstaande afbeelding is een voorbeeld van een ...

a)

bedreiging voor de biodiversiteit

b)

bescherming voor de biodiversiteit

8.

De afbeelding is een voorbeeld van ...

a)

een voedselketen

b)

een voedselweb

c)

een voedselkringloop

d)

een voedselpiramide

9.

Welke rol speelt een detrivoor in een voedselkringloop?

a)

dit organisme voedt zich met dood organisch materiaal.

b)

dit organisme breekt resten van dood organisch materiaal verder af en zet het om in mineralen.

10.

Duid alle opruimers aan

a)

detrivoren

b)

reducenten

c)

producenten

d)

consumenten

11.

Duid alle detrivoren aan

a)

eik

b)

mestkever

c)

aasgier

d)

vliegenzwam

e)

bacterie

12.

Duid alle reducenten aan

a)

eik

b)

mestkever

c)

aasgier

d)

vliegenzwam

e)

bacterie

13.

Waarom zijn exoten een bedreiging voor onze biodiversiteit?

a)

Ze nemen plaatsen in waar andere diersoorten zijn uitgestorven.

b)

Ze verjagen onze inheemse diersoorten.

c)

Exoten zijn bedreigde diersoorten.

14.

Een ecologisch evenwicht betekent...

a)

dat er van alle organismen evenveel zijn.

b)

dat dood organisch materiaal wordt omgezet tot mineralen dankzij de reducenten.

c)

dat er voldoende voedsel is voor elke organisme in de biotoop.

15.

Het verstoren van het ecologisch evenwicht in een biotoop kan zorgen voor...

a)

het verdwijnen van een bepaald organisme in een biotoop

b)

een plaag van een bepaald organisme in een biotoop

c)

het verdwijnen van alle leven op deze plaats.

d)

een goede verhouding in aantallen van de verschillende soorten organismen.

16.

Op de stam van een beuk groeien algen. Onder deze beuk groeien paddenstoelen

op de afgevallen beukenbladeren. Op de levende bladeren aan de boom leven

bladluizen. Lieveheersbeestjes eten de bladluizen.

Welke van deze organismen zijn consumenten?

a)

algen

b)

lieveheersbeestjes

c)

paddenstoel (schimmel)

d)

beuk

e)

bladluizen

17.

Hoe worden bacteriën en schimmels genoemd?

a)

consumenten

b)

afvaleters

c)

reducenten

18.
Het koolmeesje is ...
a)

een producent.

b)

een consument.

c)

een opruimer

19.

Welke voorstelling verkrijg je wanneer je meerdere voedselketens met elkaar verbindt?

(a)  

20.

Welk synoniem gebruiken we voor de schimmels en bacteriën in de bodem die het afval verwerken?

(a)  

21.

Welke stoffen ontstaan er na de afbraak van het organisch afval door bacteriën en schimmels die planten opnieuw gebruiken om te groeien?

(a)  

22.

De verscheidenheid aan organismen die we op een bepaalde plaats terugvinden, noemen we ook wel de ...

(a)  

23.

Wat zorgt niet voor de achteruitgang van de biodiversiteit?

a)

De verspreiding van inheemse soorten in verschillende gebieden

b)

Het verdwijnen van natuurgebieden

c)

De klimaatopwarming

d)

De overmatige visvangst

24.

Welk deel van de plant eet je als je deze groente eet?

a)

wortel

b)

stengel

c)

blad

d)

bloem

25.

Welke twee stoffen neemt een plant op via de wortels?

a)

water

b)

mineralen

c)

zuurstof

d)

koolstofdioxide

26.

Wat is een biotoop?

a)

Een omgeving waar zonlicht komt

b)

Een bosgebied waar dieren leven

c)

Een omgeving waar organismen leven

d)

Een plaats waar de luchtvochtigheid 100% is

27.
Bodembacteriëen zijn ...
a)
consumenten
b)
producenten
c)
reducenten
d)
mineralen
28.
De bovenstaande afbeelding is een voorbeeld van een ...
a)
bedreiging voor de biodiversiteit.
b)
bescherming voor de biodiversiteit.
29.
De bovenstaande afbeelding is een voorbeeld van een ...
a)
bedreiging voor de biodiversiteit.
b)
bescherming voor de biodiversiteit.
30.
De bovenstaande afbeelding is een voorbeeld van een ...
a)
bedreiging voor de biodiversiteit.
b)
bescherming voor de biodiversiteit.
31.
Aaneenschakeling van levende wezens, waarbij de ene schakel tot voedsel dient voor de volgende = ...
a)
voedselketen
b)
voedselpiramide
c)
voedselweb
d)
voedselkringloop
32.
Een voedselrelatie die ook het aantal organismen weergeeft  = ...
a)
voedselketen
b)
voedselpiramide
c)
voedselweb
d)
voedselkringloop
33.
Verscheidenheid aan organismen in een biotoop = ...
a)
biodiversiteit
b)
genetische diversiteit
c)
diversiteit op soortniveau
d)
diversiteit aan ecosystemen
34.

Wat betekent het als de biodiversiteit in een gebied groot is?

a)

De dieren en planten leven in een groot gebied.

b)

Er leven veel planten en dieren in een gebied.

c)

Er leven grote dieren en planten in een gebied.

d)

Er leven veel verschillende planten en dieren in een gebied.

35.

Wat geeft deze voedselpiramide weer?

a)

Dat in de sloot planten, waterinsecten, vissen en reigers leven die elkaar opeten.

b)

Dat er in deze sloot verschillende soorten planten, waterinsecten en vissen leven die gegeten worden door de reiger.

c)

Dat er in deze sloot veel planten leven die gegeten worden door iets minder waterinsecten, die gegeten worden door nog minder vissen en deze vissen worden gegeten door nog minder reigers.

36.

(Klik op de afbeelding om in te zoomen.)

Welk begrip past bij nummer 2?

a)

Consumenten

b)

Reducenten

c)

Mineralen

d)

Producenten

37.

(Klik op de afbeelding om in te zoomen.)

Welk begrip past bij nummer 3?

a)

Consumenten

b)

Reducenten

c)

Mineralen

d)

Producenten

38.

Bij deze afbeelding is er sprake van een...

a)

...natuurlijk evenwicht.

b)

...natuurlijk onevenwicht.

39.

Wat is geen energiebron?

a)

benzine

b)

water

c)

wind

d)

koolstofdioxide

40.

Welke energievorm geeft de zon af?

a)

lichtenergie

b)

warmte-energie

c)

chemische energie

41.

Welk orgaan zie je hier?

a)

De bloem

b)

De vrucht

c)

De wortels

d)

Het blad

e)

Het stengel

42.

Welk orgaan zie je hier?

a)

De bloem

b)

De vrucht

c)

Het blad

d)

De stengel

e)

De wortels

43.

Welk orgaan zie je hier?

a)

De bloem

b)

De vrucht

c)

Het blad

d)

De stengel

e)

De wortels

44.

De stekels van een cactus zijn eigenlijk aangepaste ...

a)

Stengels

b)

Takken

c)

Bladeren

d)

Wortels

45.
Wat is geen functie van de wortels?
a)
Water opnemen
b)
Plant vastzetten in bodem
c)
Opslaan reservevoedsel
d)
Water vervoeren
46.

Welk deel van de plant is nummer 2?

a)

de wortels

b)

de stengel

c)

het blad

d)

de vrucht

47.

Welk deel van de plant is nummer 1 ?

a)

de bloem

b)

het blad

c)

het zaad

d)

de wortels

48.

Wat is de functie van de stengel (nummer 5) ?

a)

Die vervoert water en voeding van de wortels naar de bladeren.

b)

Die maakt de plant groter.

c)

Die neemt water en voeding op uit de grond.

49.

Welk deel van de plant is nummer 6 ?

a)

de stengel

b)

de vrucht

c)

de wortels

d)

het blad

e)

het zaad

50.

Welke energievorm heeft een broodrooster?

a)

warmte-energie

b)

potentiële energie

c)

lichtenergie

51.

Hoe noemen we warmte-energie?

a)

Kinetische energie

b)

Thermische energie

c)

Elektrische energie

d)

Potentiële energie

52.

Hoe noemen we bewegingsenergie?

a)

Potentiële energie

b)

Kinetische energie

c)

Chemische energie

d)

Kernenergie

53.

De meeste auto's rijden op brandstof. Wat voor energievorm is brandstof?

a)

Chemische energie

b)

Elektrische energie

c)

Potentiële energie

54.

Duid de juiste energieomzetting van een wasmachine aan.

a)

Elektrische energie -> Kinetische energie + Thermische energie

b)

Kernenergie -> Kinetische energie + Thermische energie

c)

Chemische energie -> Kinetische energie

d)

Elektrische energie -> Thermische energie

55.

Welke energievorm wordt er omgezet bij de verbranding van aardgas?

a)

fossiele energie

b)

verbrandingsenergie

c)

chemische energie

d)

potentiële energie

56.

Wat is een energieomzetting ?

a)

Energievorm wordt gekoppeld aan een andere energievorm

b)

Energievorm gaat verloren dankzij een andere energievorm

c)

Energievorm wordt omgezet in een andere energievorm

d)

Geen van bovenstaande mogelijkheden

57.

Welke energiesoort zet een windmolen om in elektrische energie?

a)

Groene energie

b)

Draai energie

c)

Bewegingsenergie

d)

Hoogte energie

58.

Hans tankt zijn auto vol met benzine. Wat voor soort energie bevat benzine?

a)

Bewegingsenergie

b)

elektrische energie

c)

Chemische energie

d)

Warmte-energie

59.

Lisa fietst en zet omdat het donker begint te worden haar fietslamp aan. De fietslamp werkt met behulp van een dynamo.

Welke energieomzetting vind hier plaats?

a)

Chemische energie--> Elektrische energie --> lichtenergie

b)

Bewegingsenergie --> elektrische energie --> lichtenergie

c)

Zonne-energie --> windenergie --> lichtenergie

60.

Voedsel is een vorm van energie.

Welke?

a)

chemische energie

b)

bewegingsenergie

c)

stralingsenergie

d)

elektrische energie

61.

Wat is onze belangrijkste energiebron?

a)

vuur

b)

hout

c)

aardolie

d)

zon

62.

De motor van een auto produceert bewegingsenergie als nuttige energie. Maar ook wat als niet-nuttige energie?

a)

Chemische energie

b)

Warmte

c)

Lichtenergie

d)

Elektrische energie

e)

Fossiele energie

63.

Welk van onderstaande factoren is geen abiotische factor?

a)

temperatuur

b)

lichtsterkte

c)

water

d)

regenworm

64.

Wat zie je hier?

a)

Een consument

b)

Een reducent

c)

Een producent

65.

Welke afbeelding is een voedselpiramide?

a)
b)
c)
d)
66.

Wat is de juiste voedselketen?

a)

Muis --> een plant --> adder --> arend

b)

Arend -->adder -->muis --> plant

c)

Plant -->muis-->adder-->arend

67.

Welke energievorm herken je op de afbeelding?

a)

chemische energie

b)

lichtenergie

c)

elektrische energie

d)

potentiële energie

68.

Welke energievorm herken je op de afbeelding?

a)

chemische energie

b)

potentiële energie

c)

warmte-energie

d)

elektrische energie

69.

Welke energievorm herken je op de afbeelding?

a)

chemische energie

b)

potentiële energie

c)

elektrische energie

d)

kinetische energie

70.

Welke energievorm herken je op de afbeelding?

a)

potentiële energie

b)

chemische energie

c)

lichtenergie

d)

thermische energie

71.

Welke energievorm herken je op de afbeelding?

a)

elektrische energie

b)

kinetische energie

c)

potentiële energie

d)

chemische energie

72.

Benzine, een appel, de zon, ... zijn voorbeelden van (a)   (geef de juiste definitie)?

73.

Welke vorm van energie is --> een rijdende auto?

a)

Chemische energie

b)

Bewegingsenergie

c)

Stralingsenergie

d)

Potentiële energie

74.

Welke vorm van energie is --> opspannen van een boog (bij pijl en boog)?

a)

Bewegingsenergie

b)

Elektrische energie

c)

Potentiële energie

d)

Thermische energie

75.

Welke vorm van energie is --> een energiereep?

a)

Thermische energie

b)

Chemische energie

c)

Kernenergie

d)

Bewegingsenergie

76.

Welke vorm van energie is --> een ledlamp?

a)

Elektrische energie

b)

Kernenergie

c)

Potentiële energie

d)

Lichtenergie

77.

Waar halen apparaten hun energie vandaan?

a)

Elektriciteit

b)

Water

c)

Aardolie

d)

Fruit

78.

Hoe noem je energie die pas vrijkomt nadat het verbrandt wordt?

a)

Verbrandingsenergie

b)

Lichtenergie

c)

Bewegingsenergie

d)

Chemische energie

79.

Wat is een exoot?

a)

Organismen die van nature niet in een gebied voorkomen.

b)

Organismen die van nature in een gebied voorkomen.

80.

Hoe komen exoten hier terecht?

a)

ze reizen op eigen kracht

b)

door de mens en transport

81.
Welke van onderstaande factoren is biotisch?
a)
reducenten
b)
bodemvochtigheid
c)
waterdiepte
d)
grondsoort
82.

Welke voedselketen is juist

a)

gras - koe - mens

b)

mens - koe - gras

c)

mens --> koe --> gras

d)

gras --> koe --> mens

83.

Welke genoemde factoren is niet abiotisch?

a)

water

b)

licht

c)

voedsel

d)

temperatuur

84.

Welke functie hebben schimmels en bacteriën?

a)

producent

b)

consument

c)

reducent

85.

Je ziet hier een aantal diersoorten in een voedselrelatie. Hoe noemen we dit?

a)

voedselketting

b)

voedselrij

c)

voedselweb

d)

voedselketen

86.

goede voorbeelden van abiotische invloeden in de mangroven zijn:

a)

flamingo's

b)

mangrovebomen

c)

temperatuur

d)

kwalletjes

e)

water

87.

Wat zijn voorbeelden van abiotische invloeden op een ecosysteem?

a)

temperatuur en bodem

b)

licht en planten

c)

vogels en vissen

d)

reptielen en zonlicht

88.

Met welke eenheid druk je geluidssterkte uit?

a)

dB

b)

m/s

c)

°C

89.

Met welk meettoestel meet je de windsnelheid?

a)

thermometer

b)

windmeter

c)

geluidsmeter

90.

Welke aanpassing is hier te zien?

a)

Voeden

b)

Uitdroging

c)

Bescherming

91.

Welke aanpassing is hier te zien?

a)

Bescherming

b)

Bewegen

c)

Voeden

d)

Uitdroging

92.

Welke aanpassing is hier te zien?

a)

Bescherming

b)

Bewegen

c)

Voeden

d)

Uitdrogen

93.

Wat is een organisme?

a)

Een leven wezen

b)

Alles wat groeit

c)

Alles wat beweegt