Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

KB4_H8, 9, 5 _ Oefentoets

Total questions: 45

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.
Met welke nummer wordt witte bloedcellen aangeven?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
2.
In de afbeelding hiernaast tref je een aantal verschillende bloeddeeltjes aan. Wat wordt in de afbeelding aangegeven met nummer 3
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedpaatjes
d)
Bloedplasma
3.

Door welk deel van bloed wordt zuurstof vervoerd?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

A

4.
Bij bloedarmoede heb je..
a)
een te kort aan witte bloedcellen
b)
een te kort aan bloedplaatjes
c)
een te kort aan rode bloedcellen
d)
een te kort aan bloedplasma
5.

Welke stof in rode bloedcellen zorgt ervoor dat rode bloedcellen zuurstof kunnen vervoeren?

(a)  

6.

Je bloed vervoert afvalstoffen

a)

Ja, van de cellen zodat ze door organen met een uitscheidende functie worden uitgescheiden

b)

Nee, cellen breken afvalstoffen meteen af

7.

Waar gaat de kleine bloedsomloop naar toe?

a)

de hersenen

b)

alle organen

c)

de longen

d)

de darmen

8.

In welk bloedvat stroomt bloed van het hart naar alle organen?

a)

Aders

b)

Haarvaten

c)

Slagaders

9.
Welk type bloedvat kenmerkt zich door het hebben van veel kleppen?
a)
Haarvaten
b)
Slagaders
c)
Aders
10.

Hoe heet het bloedvat van de longen naar het hart?

a)

holle ader

b)

longslagader

c)

aorta

d)

longader

11.

Kijk goed naar het plaatje. Nummer 14 is de (a)  

12.

Kijk goed naar het plaatje. Nummer 15 is de (a)  

13.

Met welk nummer wordt de linker boezem aangegeven?

a)

4

b)

5

c)

9

d)

8

14.

Welke hartkamer pompt het bloed richting de longen?

a)

4

b)

5

c)

9

d)

8

15.

De juiste volgorde van de hartslag is:

1. Boezems trekken samen.

2. Kamers trekken samen.

3. Rust/pauze.

a)

Juist

b)

Onjuist

16.
Welke bloeddeeltjes zitten er in lymfe?
a)
Rode bloedcellen.
b)
Witte bloedcellen.
c)
Bloedplaatjes.
d)
Bloedplasma.
17.

In de afbeelding zie je een doorsnede van weefsel met omliggende cellen en een haarvat. Wat voor een vocht wordt aangewezen met pijl P?

a)

Bloedplasma

b)

Lymfe

c)

Weefselvloeistof

18.
Hoe ontstaat lymfe?
a)
Door de afbraak van witte bloedcellen
b)

Bloedplasma gaat vanuit de bloedbaan naar een weefsel- vanuit het weefsel gaat het plasma naar een lymfevat

c)
Onder invloed van hormonen
d)

Bij een ontsteking waarbij witte bloedcellen doodgaan

19.

Enkele stoffen die in weefselvloeistof voorkomen zijn glucose, koolstofdioxide en zuurstof. Welk van deze stoffen worden door weefselvloeistof naar de cellen toe gevoerd?

a)

Alleen glucose en zuurstof

b)

Alleen koolstofdioxide

c)

Alleen glucose, koolstofdioxide

d)

Glucose, zuurstof en koolstofdioxide

20.

Wat doet je lever wel?

a)

het maken van gal

b)

het uitscheiden van zouten

c)

de afbraak van medicijnen

d)

de opslag van gal

21.

Waar zitten de filtertjes in je nieren die je bloed schoonmaken?

a)

nierschors

b)

niermerg

c)

nierbekken

d)

urineleider

22.

Je blaas is verbonden met je nieren via de

a)

urinebuis

b)

nierslagader

c)

urineleider

d)

nierader

23.

Hoe heet onderdeel C?

(a)  

24.

Hoe heet onderdeel D?

(a)  

25.

Wat is je grondstofwisseling?

a)

De hoeveelheid energie die je in rust gebruikt voor alle lichaamsprocessen.

b)

De hoeveelheid energie die je bij inspanning gebruikt voor alle lichaamsprocessen.

c)

De hoeveelheid energie die je totaal op een dag hebt verbruikt.

d)

De hoeveelheid energie die aangeeft hoeveel je op een dag mag eten en drinken.

26.

Wanneer wordt je dikker?

a)

Als je meer kcal of kJ binnen krijgt dan je verbruikt.

b)

Als je minder kcal of kJ binnen krijgt dan je verbruikt.

c)

Als je veel eet

d)

Als je weinig eet

27.

Met welk nummer is de zenuw aangegeven?

a)

nummer 8

b)

nummer 9

c)

nummer 10

d)

nummer 11

28.

Hoe noemen we onderdeel 3

a)

Glazuur

b)

tandbeen

c)

tandholte

d)

zenuwen

29.

Voor het maken van een röntgenfoto wordt soms een contrastvloeistof in het bloed gespoten. Door de vloeistof worden de bloedvaten beter zichtbaar.

In de röntgenfoto zijn bloedvaten van het hart te zien. De pijl wijst naar een vernauwing in één van de bloedvaten. Dit bloedvat is een aftakking van de aorta en vervoert zuurstofrijk bloed naar de hartspier. Hoe heet dit bloedvat?

a)

holle ader

b)

kransader

c)

kransslagader

d)

longader

30.

Waardoor kan een hartinfarct worden veroorzaakt?

a)

door het optreden van verstopping in de leverslagader

b)

door het optreden van verstopping in een longslagader

c)

door het optreden van verstopping in de poortader

d)

door het optreden van verstopping in een kransslagader

31.

Wat voor effect heeft nicotine?

a)

Het zorgt voor een gezond lichaam.

b)

Het heeft een verslavend effect.

c)

Het zorgt voor microbe in je lichaam.

d)

Het verwijdert overtollige vetten in je lichaam.

32.

Passief roken is ook zeer schadelijk voor de mens.

a)

Waar

b)

Niet waar

33.

Welk proces verloopt minder doordat er teer in je longblaasjes zit?

a)

Gaswisseling

b)

Ademhaling

c)

Bloedsomloop

d)

Verbranding

34.

COPD is een longziekte die een combinatie zijn van 2 andere longziekte.

Welke 2 longziektes zijn dat?

a)

Longemfyseem

b)

Longkanker

c)

Chronische bronchitis

d)

Astma

35.

Wat is er met het ademhalingsstelsel gebeurd bij een longemfyseem?

a)

De longblaasjes zijn kapot en hebben niet meer de goede vorm.

b)

Er zit slijm in de longblaasjes.

c)

De luchtpijp en bronchiën zijn vernauwd (door slijm en samentrekken van spieren).

d)

Er zitten gaten in de longblaasjes.

36.

Wat is er met het ademhalingsstelsel gebeurd bij chronische bronchitis?

a)

De longblaasjes zijn kapot en hebben niet meer de goede vorm.

b)

Er zit slijm in de longblaasjes.

c)

De luchtpijp en bronchiën zijn vernauwd (door slijm en samentrekken van spieren).

d)

Er zitten gaten in de longblaasjes.

37.

Door een astma-aanval kan

a)

er minder lucht door de bronchiën

b)

er meer lucht door de bronchiën

c)

er net zoveel lucht door de bronchiën als eerst

38.

Een hooikoorts-patiënt reageert op

a)

stuifmeel van insectenbloemen

b)

stuifmeel van windbloemen

c)

de geur van insectenbloemen

d)

de geur van windbloemen

39.

In een folder leest Jordy dat het niet goed is om je gezicht met zeep te wassen, omdat dan de laag talg wordt aangetast. Wat is de functie van talg?

a)

De huid schoon houden

b)

De huid soepel houden

c)

De huid verwarmen

d)

Zweet verdampen

40.

Bij ichthyosis is één laag van de huid verdikt. Hierdoor droogt de huid uit en ontstaan kloofjes. Op de huid zie je vervolgens dikke schilfers ontstaan, die op schubben lijken. Daarom wordt de ziekte ook wel visschubziekte genoemd.

In de afbeelding wordt deze verdikte huidlaag aangegeven met nummer 1. Hoe noem je deze laag die onderdeel is van de opperhuid?

a)

hoornlaag

b)

kiemlaag

c)

lederhuid

d)

opperhuid

41.

Hoe heet de laag van de huid waarin de huidzintuigjes zitten?

a)

hoornlaag

b)

kiemlaag

c)

lederhuid

d)

onderhuids bindweefsel

42.

Hoeveel vaccinaties (intentingen) krijgt een kind dat 4 maanden oud is?

a)

4

b)

5

c)

6

d)

7

43.

Hoeveel inentingen heb je nodig om volledig tegen difterie beschermd te zijn?

a)

4

b)

6

c)

5

d)

8

44.

Witte bloedcellen kunnen ziekteverwekkers bestrijden. Dat kan op twee verschillende manieren. Noem ze allebei.

a)

Ziekteverwekkers worden ingesloten en verteerd

b)

Ziekteverwekkers worden herkend en er worden antistoffen tegen gemaakt

c)

Ziekteverwekkers worden herkend en er worden antigenen tegen gemaakt

d)

Ziekteverwekkers worden herkend en via de nieren uitgescheiden

45.

Een soa-test kan worden gedaan om te bepalen of iemand seropositief is.

Wanneer noem je iemand seropositief?

a)

Tijdens de incubatietijd van het hiv-virus, na besmetting.

b)

Als deze persoon na onveilige seks de symptomen van aids heeft.

c)

Als het afweersysteem van iemand niet meer werkt, door het hiv-virus.

d)

Wanneer de witte bloedcellen stuk zijn.